the Wild Lands

Een bonte (en blauwe) boel
Verhellen verholpen

Het was enkele dagen bijzonder rustig in Zuiderhaven, wat men deels aan het druiligere weer van de afgelopen dagen weet. Slechts één schip was er nog binnengekomen en zoals het gerucht de ronde deed waren er vele verloren gegaan in de storm van enkele dagen geleden. Dat maakte de sfeer er niet beter op. Niet in het minste omdat met het verlies van die schepen ook meteen de verse voorraad Pibwasser extra dry eraan was voor de moeite.

In de Zoute Zeemeermin was het erg stilletjes die ochtend. Aan de bar zat een wat uitgezakte Paladin, tenmidden een voorraad lege flessen en met een wazige blik in zijn ogen, te genieten van de laatste fles Pibwasser. De deur sloeg open en Zwaäm maakte zijn intrede, keek minachtend naar Brecht en zocht een plaatsje aan de haard, recht tegenover een wat ouder uitziende man die vergezeld was van een Tiefling. Zwaäm gromde wat in zichzelf “Grrmbl, moet er nu echt zo’n mormel onder hetzelfde dak logeren?”. Hun blikken kruisten elkaar even maar Zwaäm bespeurde onverschilligheid in haar blik, geen vijandschap. Hij wilde net een sarcastische opmerking maken toen de oude man zich tot hem richtte: “Intersessant, interessant, waarachtig interessant, een mensachtig reptiel! Werkelijk interessant!”. “Draak! D…R…A…A…K!” gromde Zwaäm, “Dragonborn om precies te zijn! Uit welke achterlijke streek kom jij dat je dat niet weet”. Hij was duidelijk in zijn gat gebeten. De Tiefling grinnikte. De oude man bedaarde Zwaäm en vertelde hem dat hij doctor was en dat hij geïnteresseerd was in alle interessante wezens en dat hij naar dit land was gekomen voor diepgaande studies. Zwaäm wist even niet goed of hij zich gevleid of beledigd moest voelen.

“Mijn naam is Tar Ranak en de charmante Tiefling hier heet Larissa.” vervolgde de oude man. Hij was haar blijkbaar net tegengekomen aan de bar. Zij zocht haar zuster… het was ingewikkeld… iets met overspel en blablabla… vrouwengedoe! Ze viel Zwaäm wel mee, hoewel ze hem met momenten erg irriteerde, maar niet zo erg als Brecht op zijn best… Na wat kennismakend geleuter begon Zwaäm zich wat te vervelen en zei dat hij eens wat blauwe draakjes ging jagen. “OohoHOhOooooh, ik ga mee!” riep Tar enthousiast, “Die wilde ik al lang eens bestuderen! Ga je mee Larissa, misschien vinden we ook wel wat aanwijzingen over je zuster… (stilletjes) en alleen met die hagedis voel ik me toch niet helemaal op mijn gemak…”. Zwaäm zag er geen graten in: Brecht was lazarus, Livio had net een “shopping spree” en het leek hem verstandiger om met wat meer volk op stap te gaan.Tar had al weet van de draakjes en stelde voor om maar direct naar het noorden te gaan, naar de broedplaatsen omdat daar vroeger reeds vele draakjes gespot werden.

Het was nog steeds aan het regenen toen ze de stad verlieten en het land zag er mistroostig uit. Het woud in de verte zag er bedreigend uit, als een donkere waakzame schim, achter een waterige sluier. Larissa kreeg er een rilling van over haar rug. Er werd vooral veel gezwegen onderweg. Een storm woedde op zee. Gelukkig kwamen ze geen problemen tegen op hun tocht naar het noorden en toen ze aan de hangbrug kwamen stopte het eindelijk met regenen. Maar… wat was dat? Zwaäm kende dat wezen. In de buurt van de hangbrug dwaalde een wervelwind rond… met ogen… brrr…

Hoewel Tar dit geweldig interessant vond en even het ding gadesloeg liet hij zich overtuigen om er een weg langs te zoeken. Zonder succes. Dan maar zaaaaaaachtjes erlan… “Hiiiiiiiii”… Larissa slaakte een kreet: het wervelwindje zoog haar naar zich toe en begon haar te knuffelen… enfin… wat ervoor moest doorgaan want ze krijste het uit van de pijn. Vonken van haat en razernij schoten uit haar ogen toen het haar eindelijk losliet en ze plantte in één sierlijke beweging haar dolk in het wezen, waarop het scrok en uitweek… en zich op Zwaäm stortte. Deze had deze uitval voorzien, dook weg en verblindde het schepsel met een Eyebite. Larissa en tarnak maakten van de opening gebruik door hevig in de aanval te gaan. Met succes. Zijn wervelingen namen af in intensiteit en zijn bewegingen werden onregelmatiger. Larissa zag haar kans schoon, haar ogen stralend met bloedlust. Ze likte haar dolk en danste op het wervelwindje af dat als gehypnotiseerd verstarde, bevangen door haar sensuele bewegingen. Ssshhliiiing! De dolk gierde doorheen het wezen. Bijna tegelijk spuugde Zwaäm een grote zuurwolk uit, maar miste schromelijk… Naderhand wist hij te vertellen, zijn neus hevig bloedend, dat hij er niets aan kon doen: Larissa had bij haar aanval gewoon iets te veel vlees laten zien… hij was afgeleid, dus niet een teken van onkunde…kuch… Soit, enkele rake klappen later ging het wervelwindje sissend in rook op en de reizigers haalden opgelucht adem.

Na zich wat opgeknapt te hebben en nadat Larissa haar toilet weer in orde had gekregen begaven de drie zich weer op pad, over de brug, langs de kliffen, richting de broedplaatsen. Ze schrokken zich bijna dood toen plots een schicht over hen heen kwam vliegen. Het kon een havik zijn maar hij werd omgeven door bliksemschichten en dompelde het lanschap in een kil blauwig licht. Een gevoel van ontzag maakte zich van hen meester maar niet voor lang want nog voor het gezelschap goed wist wat hen overkomen was, was de vogel reeds verwenen in het noorden. Tar glunderde als een klein kind dat een snoepkraam had bespeurd, maar vermande zich en stelde vast dat hij op deze plek al eens geweest was. “Juist, juist. Juist ja! Hier is die grot! Kijk maar hier hangt ons touw nog!” en hij repte zich naar de rand van de klif. “Aaah mooie tijden beleefd in deze grot!” zei hei verheugd, “Kom we gaan eens zien of er nog iets te beleven valt”. Zwaäm en Larissa wisten hem echter te overtuigen deze vandaag niet meer te betreden daar deze snel te nat zou zijn naar hunner zinnen en dat ze best de kustlijn afzochten naar nieuwe en interessante plaatsen. Het was bovendien al een stuk in de namiddag en de vloed was al aan het opkomen…

Wat meer noordwaarts kwamen ze aan een smalle kloof. De zee schuimde woest in de diepte, maar in het verste punt van de kloof, net boven de zeespiegel, zagen ze een grot die tot op halve hoogte bedekt was met mosselen en zeewier. De grot die meer als een scheur in de steile wand ingebed zat was toegankelijk via een kleine afdaling. “In het ergste geval krijgen we natte tenen” Zij Tarnak en hij haaste zich, verdacht kwiek voor een man op leeftijd, richting de grot. Zonder boe of ba was hij al de kliffen afgekloutert en stond beneden triomfantelijk te lachen: “Hahaha, mietjes!” kirde hij. Larissa werd wat overmoedig van de provocatie, sprong net iets te nonchalant naar beneden en rondde af met een faceplant in de zee. Dit alles tot groot vertier van Zwaäm. Ze doorzochtten de grot en vonden naast wat prachtige mesthoopjes ook nog eens twee Blauwe Draakjes in een zijgang.

Kaartjegrot

Deze werden dan maar vakkundig verwerkt tot charcuterie. Tarnak voorkwam nog net een totale vermorzeling. Hij wilde immers een lijkje meenemen. Larissa en Zwaäm keken elkaar schaapachtig aan en haalden hun shouders op. “Ieders zijn meug” mompelde Zwaäm en ze onderzochten de grot verder. Na enkele bochten stuitten ze op een een grote doodlopende ruimte en troffen er goud, gereedschap (van Verhellen?), een edelsteen en een koker aan met daarin een pagina uit een havenlogboek… Tar had durven zweren dat Larissa nog snel iets wegstak, maar het kon ook zijn verbeelding zijn… en daarbij, hij had een lijkje: Yay! Er was verder niets bijzonders te vinden, tenzij mest je fantasie kan prikkelen, dus keerde het trio terug.

Toen ze weer bovenkwamen keken ze angstig toe hoe de pokemon… euh flitshavik… in een gevecht was verwikkeld met een wervelwind-ding. Wijselijk slopen onze gezellen weg en haastten ze zich naar de steengroeve. Verhellen stond hen reeds op te wachten en zijn gezicht klaarde op toen hij zijn gereedschap herkende. Hij bedankte hen uitgebreid en beloonde hen met goud. Tar leerde Verhellen de uiterst betrouwbare techniek van het Draakjes wegstaren en ze vertrokken weer naar Zuiderhaven.

De zon was al bijna onder toen ze weer binnen de stadsmuren vertoefden. Bij een frisse pint Sheibwasser, een bruin schippersbier, verdeelden ze de buit en kwamen overeen om de edelsteen te verpatsen en de opbrengst tevens te verdelen over hun drietjes. Tar kocht met zijn verse goudstukken een chirurgieset en sloot zich op in zijn kamer. De kamermeiden vertelden achteraf vreemde verhalen over een naakte oude man die sinister lachend door zijn kamer huppelde, besmeurd met ingewanden en drakenbloed… Larissa en Zwaäm gingen tenslotte nog eens langs Wout de havenmeester om wat meer te weten te komen over het stuk log dat ze gevonden hadden. Bleek dat smokkelaars wel eens meer documenten jatten uit de lokalen van de reders en dat er reeds vele malen premies werden uitgeloofd voor al wie smokkelaars kon aangeven of doden. Bij de stadswacht weten ze ongetwijfeld meer…

Kaartje2

View
Avontuur: Bloedige ernst (deel 2)
Avondrood, bloed in de goot

Brecht, Livio en zwaam waren in een vrolijke bui van de plezierige ochtendwandeling: de frisse ochtendlucht had blijkbaar deugd gedaan en werkte inspirerend. Zwaäm stelde voor om netten te gaan kopen. Hij vondt dat, hoewel Albatrossen aardige sparringpartners zijn, ze zijns inziens beter te pruimen waren met een net over hen heen: minder kans op ragequitten! Iedereen knikte hevig: niets zo vervelend als een voortijdig beëindigd robbertje pulpen!

Aan de dokken passeerden ze een vismijn waar ze naast wat onguur uitziende vis van de vorige dag ook nog gereedschap aan de man brachten. Netten lagen slordig op een hoopje. Een korte herinnering aan zijn broer flitste even door Zwaäm’s achterhoofd, maar dat probeerde hij even snel weer te vergeten. “Netten zijn geen kledingsstuk” hoorde Livio hem nog mompelen. Hoewel ze duidelijk reeds gebruikt waren zagen de netten er betrouwbaar uit en het gezelschap kocht een voorraadje lichte visnetten aan vooraleer ze zich weer naar de stadspoorten begaven.

Bij het buitenkomen brak de zon net even door het wolkendek en de gouden gloed van haar stralen deed de vuurtoren even oplichten. Het tafereel prikkelde Zwaäm’s interesse en hij stelde voor om eens even een kijkje te gaan nemen. Het gezelschap wandelde even langs de stadsmuren en aangekomen bij de vuutoren bleek al gauw dat, zoals verwacht, er geen ene moer te beleven viel. Echter, van boven op de toren zag je een mooi kiezelstrand dat begint aan de vuurturen en glinsterend de kliffen drapeert voor zover het oog reikt. In de verte zwermden vele vogels rond een punt op een uitstekende land tong en een storm woedde wat verderop op zee. Zwaäm voelde zijn handen weer jeuken en daalde af, waarna het drietal langs de kustlijn zich met vaste tred naar de broedplaats begaven, op zoek naar meer eieren.

Wat een succes, wel zeker een tiental nesten kon men waarnemen op de kliffen, echter geen één waar men makkelijk aankon. Toen begon een rondje “Chaotic Engineering”: Brecht en Zwaäm geraakten in een verhitte discussie over het fabriceren van een eitjes-vangnet. Livio keek toe… en was zichzelf. Na enige tijd wist Zwaäm Brecht te overtuigen met verbluffende argumenten en verbijsterende inzichten… Livio zei daarop: “Whatever” en het trio ging aan de slag.

Netjes

Al gauw hadden ze een tweetal eieren uit een nest gelicht, tot groot ongenoegen van de Albatros populatie die en masse onvriendelijk werd. Omdat ze met volle handen niet goed konden vechten, zetten ze het op een lopen en het duurde niet lang vooraleer ze de beesten kwijtgespeeld waren. Al maar goed dat ze zo hard gerend hadden want nu waren ze onmiddellijk bij de steengroeve! Hah! Als dat niet handig was.

Verhellen had het stofwolkje gezien en kwam de heerschappen tegemoet om te informeren naar de stand van zaken betreffende de Blauwe Draakjes. Brecht werd rood achter zijn oren en gaf schromelijk toe dat hij het beetje gereedschap dat hij enkele dagen terug had gevonden in de stad was veregeten. Zwaäm rolde met zijn ogen en mengde zich in het gesprek: “Meneer Verhellen, het is niet om het één of het ander, maar deze draakjescampagne is een kostelijke affaire voor ons jongen. We lopen uren rond op zoek naar die mormels terwijl we als pooier in de haven makkelijk onze kost zouden kunnen verdienen!” Livio knikte hevig. “Bovendien verslijten mijn schoenen, roest mijn zeis van de buitenlucht en verspil ik dagelijks màààààssas veel zilverstukken aan het weer opblinken van mijn schubben na een stoffige tocht. Je weet niet wat dat kost zeker?!”. Verhellen was even van zijn stuk gebracht en gaf hen een tussentijdse vergoeding van 10 Goudstukken per persoon voor de lopende kosten. Zwaäm luisde vervolgens nog wat vijzen af.

De zon stond ondertussen hoog aan de hemel en men besloot even te picknicken en de strategie van de namiddag te bespreken. Zwaäm deed wat voorstellen, die Brecht vervolgens kraakte en Livio… bleef zichzelf. Uiteindelijk werd besloten om draakjes te lokken met een ei en wat vijzen er omheen gestrooid. De val was gezet en ze wachtten…wachtten…wachtten… en net toen Livio wou gaan plassen verscheen er een wervelwindje. Een onaangename geur deed Livio’s gezicht vertrekken. “Wat een stinkdier”: zei walgende Livio. “Sorry!” stamelde Brecht, “Maar van die wervelwind deed ik even in mijn broek! Met dàt!” en hij wees ostentatief naar de naderende windhoos, “moet je niet sollen! Vlucht!”. Zonder aarzelen en met grote efficiëntie doken ze de steengroeve in. Gelukkig maar, het wind-ding had hen niet opgemerkt en vervolgde zijn weg. Het trio hervatte dan maar hun activiteiten. Enige tijd later kwam er een Albatros overvliegen die uit verveling meteen aangevallen werd maar zonder succes, het arme dier maakte zich snel uit de voeten.

Weer enige tijd later werd hun geduld eindelijk beloond! Een draakje kwam aangevlogen uit het noorden en had het lokaas reeds in de gaten. Brecht, zoals steeds de snelste uit de hoop, sprong er meteen op af, deed wat flickflacks, salto’s en wat erg patente danspasjes. Livio en Zwaäm waren zwaar onder de indruk maar vroegen zich af of de “Po Sing” techniek wel iets zou uithalen… Nope! Het draakje keek zelfs niet naar Brecht om. Zwaäm schoot in de lach en sprak de “Phlames of Plegethos” uit. Met veel bombastic vloog hij zelf in brand… KUT! Het draakje was in zijn sas van al deze vrolijkheid en stal wat goud van Zwaäm die als een gek over de grond aan het rollen was. Uit pure emotie sneed Livio bijna zijn eigen vinger af. De mannen herpakten zich echter en renden achter het vluchtende mormel aan. In een mum van tijd bleef er enkel wat pulp over, netjes uitgespreid over wat goudstukjes. “Mooi, dat is dan dat” zei een duidelijk tevreden Brecht.

De zon begon ondertussen al vrij laag te staan en de vermoeide reisgezellen begaven zich weer richting Zuiderhaven en kwamen na een uurtje aan bij de hangbrug? Het werd Livio onmiddellijk verboden om van voren te lopen, hij moest maar gewoon zichzelf blijven dedju, en de manschappen vonden al gauw de weg terug. In de verte baadden de stadmure in de gloed van de ondergaande zon toe plots geritsel in de struiken de aandacht trok: “Een blauw pulpje!” kirden ze in koor. Zwaäm probeerde het te lokken met wat vijsjes maar werd bestolen. In een reflex gooide zwaam het net over het draakje waarop het diende te landen. Het volgende “gevecht” was een toonbeeld van extravaganza en bloederige excentriciteit. De mannen hadden hun leukste technieken die dag nog niet getest en probeerden deze dan maar uit op het weerloze schepsel. Vampiric Embrace, Shielding Smite en Flourishes transformeerden het reptiel in een wolk van pus. Enkele terugkerende boeren applaudisseerden enthousiast bij het aanschouwen van het spektakel.

Moe en voldaan vervolgden de helden hun weg naar de stad. In de herberg verkochten ze de twee eieren aan Dick en na een noodzakelijke decontaminatieronde, vooral Livio zijn rechterknie, gooiden ze zich op wat welverdiende potten bier!

Kaart obsidian

View
Avontuur: bloedige ernst (deel1)
Geweld-ige ochtendwandeling

Brecht Bavarois zat wat te chillen in de herberg (met een glaasje ietwat zurige witte wijn van een twijfelachtig jaar) toen het hem opviel dat er twee nieuwkomers logeerden in de Zoute Zeemeermin: een Elf,… neen een Halfelf (je ziet het verschil in klasse onmiddellijk) en een reptiel dat ook wel eens een dragonborn zou kunnen zijn. Hij hoorde het reptiel spreken met Nolle over de vuurtoren… en hoe interessant die wel niet was (geeeeeeeuw). Het was duidelijk dat hij nieuw was in Zuiderhaven en omdat Brecht zich danig aan het vervelen was nodigde hij het reptiel en de Half-elf uit voor een drankje en een babbel. Het werd een bewogen gesprek waaruit duidelijk werd dat het reptiel effectief een Dragonborn was die luisterde naar de naam Zwaäm en dat de Halfelf niet veel te vertellen had wegens een acute vorm van geheugenverlies… Zijn naam wist hij echter nog wel: Livio.

Zwaäm was wat stroef van het reizen en stelde voor om eens de omgeving te gaan verkennen en de spieren los te gooien. Dat kon Brecht wel smaken, hij had toch niets beter te doen en hij vond Zwaäm plagen wel een geestig tijdverdrijf. Livio had iets opgevangen over eiren en geld en het gezelschap besloot het nuttige aan het onnozele te koppelen en vertrok op eitjesjacht.

De ochtendnevel hing nog stilletjes boven de grasvelden toen ze de stadspoorten buitenkwamen. Brecht keek al volop uit naar Albatrossen terwijl Zwaäm aandachtig de omgeving afspeurde naar mogelijk gevaar. Livio… wel… die was zichzelf. Na een uurtje zagen ze twee Albatrossen bij een nest. Brecht ging er meteen op af en trok er zich geen bal van aan dat de beesten duidelijk niet opgezet waren met zijn aanwezigheid. “Eerst meppen, daarna vragen stellen” moet Zwaam gedacht hebben, want nog voor Brecht goed en wel bij het nest was had hij één van de ongelukkige dieren al blind-geflitst. Wat volgde was een mooi voorbeeld van “Pulpen”: het met overmatige machtsvertoon tot pulp herleiden van een hulpeloos wezen. Hersenen werden ingeslagen, pluimen werden afgestookt en kelen overgesneden… een waar gorno festijn. Het was allemaal sneller voorbij dan verwacht. Soit! Maar… de eitjes waren nog heel en daar ging het nu eenmaal om.

Blij met de eitjes en hun bovenmenselijke krachtpatserij zakten ze terug af naar het stad om de eitjes te verkopen want… hoeveel zijn die nu eigenlijk wel waard?
“Vijf goudstukken”, Lalde Dick de ietwat vadsige kok. Onze helden stapten alvast een stapje naar achter: wat een lijfgeur had die vetjanus! Brecht en Zwaäm dachten slim te zijn en hem wat meer goud lichter te maken… zonder succes. Maar toen Livio zijn mondje opende gebeurde er iets moois: we kregen 7 goudstukken in plaats van 5. Livio moest er de handtastelijkheden wel bijnemen en ging zich eerst ontsmetten vooraleer het gezelschap weer op weg ging…

View
Zuüm's avonturen boek
Verloren voorwerpen

Bij een jachtexpeditie nabij de Nederjungle, ter hoogte van het Glinsterstrand, ontdekte een jager na het vellen van een vos een eigenaardig boek. Het was een erg mooi boek, met sierlijk bewerkt leer, en iets wat op een familliezegel leek. Bij het openen vernam hij dat het een avonturen logboek was van een zekere Zuüm en dat je een mooie beloning kon krijgen als je een gevonden log weer aan zijn eigenaar kon bezorgen. De jager herinnerde zich die Zuüm wel, hij had hem die ochtend nog ontmoet in de Zoute Zeemeermin: “Die geile salamander!” dacht hij bij zichzelf en grinnikte. Hij bedacht even of hij die beloning wel zou willen opeisen: de laatste keer dat hij Zuüm had gesproken wilde deze hem overduidelijk in bed babbelen… “brrrrr… de gedachte alleen al!”. Maar de jager kon de goudstukken wel gerbuiken, dus waarom niet. Al bij al was het nog wel een gezellige salamander…

Hij had nu al een halve dag gewacht in de Zoute zeemeermin, maar Zuüm en die rare lui waarmee hij deze voormiddag naar de Neder-Jungle was vertrokken waren nog steeds niet terug. “Wat hadden ze daar ook te zoeken?” vroeg hij zich af en opende het boek, op zoek naar wat hints. Zonder resultaat: afgezien van de eerste pagina’s was alles in een erg slordig schrift geschreven. Het enige dat hij kon opmaken waren enkele flarden tekst en wat tekeningetjes:

”... saaie boel hier, gelukkig zit hier een lekker dier van een dwerg…” ”... die Tiefling blijft maar zagen over bloemen en nutteloos gif pfff…” ”... Die apotheker kan mij wel krijgen…” ”... als ik meega komt die dwerg wel los…”

Flavour

”... en toch hadden we beter langs de rivier gelopen…” ”... stomme bloemen…”

De tekst wordt plost abrupt onderbroken en er zitten wat vlekjes op de pagina… “Is dat bloed?... beter niet aan denken!” bedacht de jager zich en hij bestelde nog een biertje (Pibwasser extra dry)...

View
Zand tussen de tenen
"Hoe hard kun jij lopen?"

2010.08.01.17.00Enna, Dolnar Kruchmo en Brecht ontdekten na wat rondvragen in de haven van Zuiderhaven dat op de sleutel die we gevonden hadden het wapenschild van de handelsfamilie Desausmo stond: een gouden adelaar op een bordeaux achtergrond. Een visser herkende het embleem van het wrak van de Concordia dat op het Glinsterstrand lag, maar waarschuwde ons ook voor zogenaamde zeeduivels aldaar.

Op weg naar dat wrak, ten oosten van Zuiderhaven – waar de vissers hun netten opstelden langs de kustlijn – kregen we te maken met twee relatief groot uitgevallen krabben die onze strandwandeling bijna met een aantal sterfgevallen verstoorden. Ze grijpen je vast en willen je de zee in slepen. Gelukkig kwam Nemeia ons nog net op tijd te hulp met pijl en boog.

Bij het wrak van de Concordia aangekomen, bleek dit een groot schip van een drietal verdiepingen te zijn. Het lag in twee delen gebroken aan de kustlijn, waarvan het kleinste stuk, de achtersteven (met het kapiteinsvertrek) wat dieper in het water lag. Het boegdeel lag grotendeels op het strand. In het water dreven verscheurde vissen – waaronder een haai – omringd door hun eigen bloed. Toen we het schip wilden verkennen, kwamen drie zeeduivels met grote snelheid uit het water. Dit bleken met schubben bedekt en van kieuwen voorziene wezens met menselijke gestalte. Eén ervan was een priester die van op grote afstand hard uithaalde naar ons. Zonder twijfelen zijn we dan ook maar hard weggelopen.

Op de terugweg naar de stad, zagen we nogmaals twee krabben (die we initieel in een grote boog wilden ontwijken) uit het water kruipen, maar een (giftige) pijlstaartrog erachter, dieper de zee in, wekte onze nieuwsgierigheid. Na deze alle drie overmeesterd te hebben, brachten we de dode pijlstaartrog naar Apotheker Thallius in de stad (zie aanplakbord): “Als jullie me nog wat gifklieren of giftige planten brengen, bijvoorbeeld de plant waar de Rode Argal bloemen aan groeien, maak ik jullie een krachtig gif.”

View
De Bestolen Steengroeve
"Ze pikken alles wat blinkt... en ook albatroseieren"

De Bestolen SteengroeveWe (Enna, Nemeia, Tar Ranak en Brecht) zaten ’s morgens rustig iets te drinken in de Zoute Zeemeermin in Zuiderhaven toen stadswachter Ivan de herberg binnenliep en ons om hulp vroeg: “”/campaigns/the-wild-lands/characters/bertrand-verhelle" class=“wiki-content-link”>Bertrand Verhelle, meester van de steengroeve nabij de Azuren Kliffen ten noordwesten van de stad, zit met een groot probleem", zo wist hij ons te vertellen. “Alles wat blinkt, wordt uit de steengroeve gestolen (goudstukken, materiaal, gereedschap) door kleine, blauwe draakjes.” We trokken er dus op uit om een bezoekje aan de steengroeve te brengen.

Onderweg kwamen we aan een splitsing in de weg en naar het noorden toe bleek er ook nog een mijn (met de welluidende naam “Mijn A”) te zijn, zo wisten de wegwijzers ons te vertellen. We volgden echter de weg verder naar het westen, ten zuiden van de kloof, en kwamen zo ‘s middags aan de steengroeve. Daar wist Bertrand Verhelle ons te vertellen dat de blauwe draakjes – ze krijgen er per dag wel zo’n vijf te zien – blijkbaar tevens gek zijn op albatroseieren. Die vliegen daar in de buurt namelijk massaal rond. Dan maar op zoek naar eieren om ze te lokken dus!

Na wat vruchteloos heen en weer geslenter liepen we plots twee groene, kleine, maar weliswaar taaie stamleden uit de Neder-Jungle tegen het lijf, alsook een everzwijn dat plots de dichtebegroeide begroeiing uitrende. Lekker!

In de verte merkten we ineens een gestalte op die heel hard van ons leek weg te rennen, naar het noorden. Hier holden we met z’n allen gelijk een gek achteraan, naar de kloof en over de hangbrug die eroverheen gespannen hing, waarover het individu vermoedelijk ook gelopen was. Omdat de buitenlucht ons goed deed, zijn we dan nog een uurtje verder naar het noorden gewandeld, maar hebben geen spoor van deze persoon meer kunnen bekennen.

Op de terugweg zijn we dan, in de hoop ergens albatroseieren te kunnen vinden, wat meer de kustlijn gaan volgen. Aan de de rand van de kliffen aangekomen, merkten we iets verderop een massa albatrossen op, waarschijnlijk een broedplaats. Deze locatie hebben we echter nog volledig terzijde gelaten.

Onder ons, in de zijwand van de klif waar we opstonden, bleek namelijk een grot zichtbaar. Daar zijn we dus naar beneden geklommen, hebben zo een ondergronds gangenstelsel verkend en een blauwe draakje aan de ingang van zijn nest een kopje kleiner gemaakt – een tweede draakje dat we in een andere gang tegenkwamen, wist nog op tijd weg te fladderen. In de grot waar dat draakje zijn nest had, hebben we onder andere een vreemde sleutel gevonden, die Enna meegenomen heeft. De sleutel had als embleem een gouden adelaar op een bordeaux achtergrond.

Twee uitgangen van het gangenstelsel kwamen uit in de zijwand van de kloof en vanaf de uitgang in het oosten was zelfs de hangbrug te zien. Omdat de vloed de gangenstelsel grotendeels (en vooral dan onze in- en uitgang) onder water zet, hebben we dan vlug terug de benen genomen, terug naar Zuiderhaven, nog voor de nacht viel.

View

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.