the Wild Lands

De Bestolen Steengroeve
"Ze pikken alles wat blinkt... en ook albatroseieren"

De Bestolen SteengroeveWe (Enna, Nemeia, Tar Ranak en Brecht) zaten ’s morgens rustig iets te drinken in de Zoute Zeemeermin in Zuiderhaven toen stadswachter Ivan de herberg binnenliep en ons om hulp vroeg: “”/campaigns/the-wild-lands/characters/bertrand-verhelle" class=“wiki-content-link”>Bertrand Verhelle, meester van de steengroeve nabij de Azuren Kliffen ten noordwesten van de stad, zit met een groot probleem", zo wist hij ons te vertellen. “Alles wat blinkt, wordt uit de steengroeve gestolen (goudstukken, materiaal, gereedschap) door kleine, blauwe draakjes.” We trokken er dus op uit om een bezoekje aan de steengroeve te brengen.

Onderweg kwamen we aan een splitsing in de weg en naar het noorden toe bleek er ook nog een mijn (met de welluidende naam “Mijn A”) te zijn, zo wisten de wegwijzers ons te vertellen. We volgden echter de weg verder naar het westen, ten zuiden van de kloof, en kwamen zo ‘s middags aan de steengroeve. Daar wist Bertrand Verhelle ons te vertellen dat de blauwe draakjes – ze krijgen er per dag wel zo’n vijf te zien – blijkbaar tevens gek zijn op albatroseieren. Die vliegen daar in de buurt namelijk massaal rond. Dan maar op zoek naar eieren om ze te lokken dus!

Na wat vruchteloos heen en weer geslenter liepen we plots twee groene, kleine, maar weliswaar taaie stamleden uit de Neder-Jungle tegen het lijf, alsook een everzwijn dat plots de dichtebegroeide begroeiing uitrende. Lekker!

In de verte merkten we ineens een gestalte op die heel hard van ons leek weg te rennen, naar het noorden. Hier holden we met z’n allen gelijk een gek achteraan, naar de kloof en over de hangbrug die eroverheen gespannen hing, waarover het individu vermoedelijk ook gelopen was. Omdat de buitenlucht ons goed deed, zijn we dan nog een uurtje verder naar het noorden gewandeld, maar hebben geen spoor van deze persoon meer kunnen bekennen.

Op de terugweg zijn we dan, in de hoop ergens albatroseieren te kunnen vinden, wat meer de kustlijn gaan volgen. Aan de de rand van de kliffen aangekomen, merkten we iets verderop een massa albatrossen op, waarschijnlijk een broedplaats. Deze locatie hebben we echter nog volledig terzijde gelaten.

Onder ons, in de zijwand van de klif waar we opstonden, bleek namelijk een grot zichtbaar. Daar zijn we dus naar beneden geklommen, hebben zo een ondergronds gangenstelsel verkend en een blauwe draakje aan de ingang van zijn nest een kopje kleiner gemaakt – een tweede draakje dat we in een andere gang tegenkwamen, wist nog op tijd weg te fladderen. In de grot waar dat draakje zijn nest had, hebben we onder andere een vreemde sleutel gevonden, die Enna meegenomen heeft. De sleutel had als embleem een gouden adelaar op een bordeaux achtergrond.

Twee uitgangen van het gangenstelsel kwamen uit in de zijwand van de kloof en vanaf de uitgang in het oosten was zelfs de hangbrug te zien. Omdat de vloed de gangenstelsel grotendeels (en vooral dan onze in- en uitgang) onder water zet, hebben we dan vlug terug de benen genomen, terug naar Zuiderhaven, nog voor de nacht viel.

View
Zand tussen de tenen
"Hoe hard kun jij lopen?"

2010.08.01.17.00Enna, Dolnar Kruchmo en Brecht ontdekten na wat rondvragen in de haven van Zuiderhaven dat op de sleutel die we gevonden hadden het wapenschild van de handelsfamilie Desausmo stond: een gouden adelaar op een bordeaux achtergrond. Een visser herkende het embleem van het wrak van de Concordia dat op het Glinsterstrand lag, maar waarschuwde ons ook voor zogenaamde zeeduivels aldaar.

Op weg naar dat wrak, ten oosten van Zuiderhaven – waar de vissers hun netten opstelden langs de kustlijn – kregen we te maken met twee relatief groot uitgevallen krabben die onze strandwandeling bijna met een aantal sterfgevallen verstoorden. Ze grijpen je vast en willen je de zee in slepen. Gelukkig kwam Nemeia ons nog net op tijd te hulp met pijl en boog.

Bij het wrak van de Concordia aangekomen, bleek dit een groot schip van een drietal verdiepingen te zijn. Het lag in twee delen gebroken aan de kustlijn, waarvan het kleinste stuk, de achtersteven (met het kapiteinsvertrek) wat dieper in het water lag. Het boegdeel lag grotendeels op het strand. In het water dreven verscheurde vissen – waaronder een haai – omringd door hun eigen bloed. Toen we het schip wilden verkennen, kwamen drie zeeduivels met grote snelheid uit het water. Dit bleken met schubben bedekt en van kieuwen voorziene wezens met menselijke gestalte. Eén ervan was een priester die van op grote afstand hard uithaalde naar ons. Zonder twijfelen zijn we dan ook maar hard weggelopen.

Op de terugweg naar de stad, zagen we nogmaals twee krabben (die we initieel in een grote boog wilden ontwijken) uit het water kruipen, maar een (giftige) pijlstaartrog erachter, dieper de zee in, wekte onze nieuwsgierigheid. Na deze alle drie overmeesterd te hebben, brachten we de dode pijlstaartrog naar Apotheker Thallius in de stad (zie aanplakbord): “Als jullie me nog wat gifklieren of giftige planten brengen, bijvoorbeeld de plant waar de Rode Argal bloemen aan groeien, maak ik jullie een krachtig gif.”

View
Zuüm's avonturen boek
Verloren voorwerpen

Bij een jachtexpeditie nabij de Nederjungle, ter hoogte van het Glinsterstrand, ontdekte een jager na het vellen van een vos een eigenaardig boek. Het was een erg mooi boek, met sierlijk bewerkt leer, en iets wat op een familliezegel leek. Bij het openen vernam hij dat het een avonturen logboek was van een zekere Zuüm en dat je een mooie beloning kon krijgen als je een gevonden log weer aan zijn eigenaar kon bezorgen. De jager herinnerde zich die Zuüm wel, hij had hem die ochtend nog ontmoet in de Zoute Zeemeermin: “Die geile salamander!” dacht hij bij zichzelf en grinnikte. Hij bedacht even of hij die beloning wel zou willen opeisen: de laatste keer dat hij Zuüm had gesproken wilde deze hem overduidelijk in bed babbelen… “brrrrr… de gedachte alleen al!”. Maar de jager kon de goudstukken wel gerbuiken, dus waarom niet. Al bij al was het nog wel een gezellige salamander…

Hij had nu al een halve dag gewacht in de Zoute zeemeermin, maar Zuüm en die rare lui waarmee hij deze voormiddag naar de Neder-Jungle was vertrokken waren nog steeds niet terug. “Wat hadden ze daar ook te zoeken?” vroeg hij zich af en opende het boek, op zoek naar wat hints. Zonder resultaat: afgezien van de eerste pagina’s was alles in een erg slordig schrift geschreven. Het enige dat hij kon opmaken waren enkele flarden tekst en wat tekeningetjes:

”... saaie boel hier, gelukkig zit hier een lekker dier van een dwerg…” ”... die Tiefling blijft maar zagen over bloemen en nutteloos gif pfff…” ”... Die apotheker kan mij wel krijgen…” ”... als ik meega komt die dwerg wel los…”

Flavour

”... en toch hadden we beter langs de rivier gelopen…” ”... stomme bloemen…”

De tekst wordt plost abrupt onderbroken en er zitten wat vlekjes op de pagina… “Is dat bloed?... beter niet aan denken!” bedacht de jager zich en hij bestelde nog een biertje (Pibwasser extra dry)...

View
Avontuur: bloedige ernst (deel1)
Geweld-ige ochtendwandeling

Brecht Bavarois zat wat te chillen in de herberg (met een glaasje ietwat zurige witte wijn van een twijfelachtig jaar) toen het hem opviel dat er twee nieuwkomers logeerden in de Zoute Zeemeermin: een Elf,… neen een Halfelf (je ziet het verschil in klasse onmiddellijk) en een reptiel dat ook wel eens een dragonborn zou kunnen zijn. Hij hoorde het reptiel spreken met Nolle over de vuurtoren… en hoe interessant die wel niet was (geeeeeeeuw). Het was duidelijk dat hij nieuw was in Zuiderhaven en omdat Brecht zich danig aan het vervelen was nodigde hij het reptiel en de Half-elf uit voor een drankje en een babbel. Het werd een bewogen gesprek waaruit duidelijk werd dat het reptiel effectief een Dragonborn was die luisterde naar de naam Zwaäm en dat de Halfelf niet veel te vertellen had wegens een acute vorm van geheugenverlies… Zijn naam wist hij echter nog wel: Livio.

Zwaäm was wat stroef van het reizen en stelde voor om eens de omgeving te gaan verkennen en de spieren los te gooien. Dat kon Brecht wel smaken, hij had toch niets beter te doen en hij vond Zwaäm plagen wel een geestig tijdverdrijf. Livio had iets opgevangen over eiren en geld en het gezelschap besloot het nuttige aan het onnozele te koppelen en vertrok op eitjesjacht.

De ochtendnevel hing nog stilletjes boven de grasvelden toen ze de stadspoorten buitenkwamen. Brecht keek al volop uit naar Albatrossen terwijl Zwaäm aandachtig de omgeving afspeurde naar mogelijk gevaar. Livio… wel… die was zichzelf. Na een uurtje zagen ze twee Albatrossen bij een nest. Brecht ging er meteen op af en trok er zich geen bal van aan dat de beesten duidelijk niet opgezet waren met zijn aanwezigheid. “Eerst meppen, daarna vragen stellen” moet Zwaam gedacht hebben, want nog voor Brecht goed en wel bij het nest was had hij één van de ongelukkige dieren al blind-geflitst. Wat volgde was een mooi voorbeeld van “Pulpen”: het met overmatige machtsvertoon tot pulp herleiden van een hulpeloos wezen. Hersenen werden ingeslagen, pluimen werden afgestookt en kelen overgesneden… een waar gorno festijn. Het was allemaal sneller voorbij dan verwacht. Soit! Maar… de eitjes waren nog heel en daar ging het nu eenmaal om.

Blij met de eitjes en hun bovenmenselijke krachtpatserij zakten ze terug af naar het stad om de eitjes te verkopen want… hoeveel zijn die nu eigenlijk wel waard?
“Vijf goudstukken”, Lalde Dick de ietwat vadsige kok. Onze helden stapten alvast een stapje naar achter: wat een lijfgeur had die vetjanus! Brecht en Zwaäm dachten slim te zijn en hem wat meer goud lichter te maken… zonder succes. Maar toen Livio zijn mondje opende gebeurde er iets moois: we kregen 7 goudstukken in plaats van 5. Livio moest er de handtastelijkheden wel bijnemen en ging zich eerst ontsmetten vooraleer het gezelschap weer op weg ging…

View
Avontuur: Bloedige ernst (deel 2)
Avondrood, bloed in de goot

Brecht, Livio en zwaam waren in een vrolijke bui van de plezierige ochtendwandeling: de frisse ochtendlucht had blijkbaar deugd gedaan en werkte inspirerend. Zwaäm stelde voor om netten te gaan kopen. Hij vondt dat, hoewel Albatrossen aardige sparringpartners zijn, ze zijns inziens beter te pruimen waren met een net over hen heen: minder kans op ragequitten! Iedereen knikte hevig: niets zo vervelend als een voortijdig beëindigd robbertje pulpen!

Aan de dokken passeerden ze een vismijn waar ze naast wat onguur uitziende vis van de vorige dag ook nog gereedschap aan de man brachten. Netten lagen slordig op een hoopje. Een korte herinnering aan zijn broer flitste even door Zwaäm’s achterhoofd, maar dat probeerde hij even snel weer te vergeten. “Netten zijn geen kledingsstuk” hoorde Livio hem nog mompelen. Hoewel ze duidelijk reeds gebruikt waren zagen de netten er betrouwbaar uit en het gezelschap kocht een voorraadje lichte visnetten aan vooraleer ze zich weer naar de stadspoorten begaven.

Bij het buitenkomen brak de zon net even door het wolkendek en de gouden gloed van haar stralen deed de vuurtoren even oplichten. Het tafereel prikkelde Zwaäm’s interesse en hij stelde voor om eens even een kijkje te gaan nemen. Het gezelschap wandelde even langs de stadsmuren en aangekomen bij de vuutoren bleek al gauw dat, zoals verwacht, er geen ene moer te beleven viel. Echter, van boven op de toren zag je een mooi kiezelstrand dat begint aan de vuurturen en glinsterend de kliffen drapeert voor zover het oog reikt. In de verte zwermden vele vogels rond een punt op een uitstekende land tong en een storm woedde wat verderop op zee. Zwaäm voelde zijn handen weer jeuken en daalde af, waarna het drietal langs de kustlijn zich met vaste tred naar de broedplaats begaven, op zoek naar meer eieren.

Wat een succes, wel zeker een tiental nesten kon men waarnemen op de kliffen, echter geen één waar men makkelijk aankon. Toen begon een rondje “Chaotic Engineering”: Brecht en Zwaäm geraakten in een verhitte discussie over het fabriceren van een eitjes-vangnet. Livio keek toe… en was zichzelf. Na enige tijd wist Zwaäm Brecht te overtuigen met verbluffende argumenten en verbijsterende inzichten… Livio zei daarop: “Whatever” en het trio ging aan de slag.

Netjes

Al gauw hadden ze een tweetal eieren uit een nest gelicht, tot groot ongenoegen van de Albatros populatie die en masse onvriendelijk werd. Omdat ze met volle handen niet goed konden vechten, zetten ze het op een lopen en het duurde niet lang vooraleer ze de beesten kwijtgespeeld waren. Al maar goed dat ze zo hard gerend hadden want nu waren ze onmiddellijk bij de steengroeve! Hah! Als dat niet handig was.

Verhellen had het stofwolkje gezien en kwam de heerschappen tegemoet om te informeren naar de stand van zaken betreffende de Blauwe Draakjes. Brecht werd rood achter zijn oren en gaf schromelijk toe dat hij het beetje gereedschap dat hij enkele dagen terug had gevonden in de stad was veregeten. Zwaäm rolde met zijn ogen en mengde zich in het gesprek: “Meneer Verhellen, het is niet om het één of het ander, maar deze draakjescampagne is een kostelijke affaire voor ons jongen. We lopen uren rond op zoek naar die mormels terwijl we als pooier in de haven makkelijk onze kost zouden kunnen verdienen!” Livio knikte hevig. “Bovendien verslijten mijn schoenen, roest mijn zeis van de buitenlucht en verspil ik dagelijks màààààssas veel zilverstukken aan het weer opblinken van mijn schubben na een stoffige tocht. Je weet niet wat dat kost zeker?!”. Verhellen was even van zijn stuk gebracht en gaf hen een tussentijdse vergoeding van 10 Goudstukken per persoon voor de lopende kosten. Zwaäm luisde vervolgens nog wat vijzen af.

De zon stond ondertussen hoog aan de hemel en men besloot even te picknicken en de strategie van de namiddag te bespreken. Zwaäm deed wat voorstellen, die Brecht vervolgens kraakte en Livio… bleef zichzelf. Uiteindelijk werd besloten om draakjes te lokken met een ei en wat vijzen er omheen gestrooid. De val was gezet en ze wachtten…wachtten…wachtten… en net toen Livio wou gaan plassen verscheen er een wervelwindje. Een onaangename geur deed Livio’s gezicht vertrekken. “Wat een stinkdier”: zei walgende Livio. “Sorry!” stamelde Brecht, “Maar van die wervelwind deed ik even in mijn broek! Met dàt!” en hij wees ostentatief naar de naderende windhoos, “moet je niet sollen! Vlucht!”. Zonder aarzelen en met grote efficiëntie doken ze de steengroeve in. Gelukkig maar, het wind-ding had hen niet opgemerkt en vervolgde zijn weg. Het trio hervatte dan maar hun activiteiten. Enige tijd later kwam er een Albatros overvliegen die uit verveling meteen aangevallen werd maar zonder succes, het arme dier maakte zich snel uit de voeten.

Weer enige tijd later werd hun geduld eindelijk beloond! Een draakje kwam aangevlogen uit het noorden en had het lokaas reeds in de gaten. Brecht, zoals steeds de snelste uit de hoop, sprong er meteen op af, deed wat flickflacks, salto’s en wat erg patente danspasjes. Livio en Zwaäm waren zwaar onder de indruk maar vroegen zich af of de “Po Sing” techniek wel iets zou uithalen… Nope! Het draakje keek zelfs niet naar Brecht om. Zwaäm schoot in de lach en sprak de “Phlames of Plegethos” uit. Met veel bombastic vloog hij zelf in brand… KUT! Het draakje was in zijn sas van al deze vrolijkheid en stal wat goud van Zwaäm die als een gek over de grond aan het rollen was. Uit pure emotie sneed Livio bijna zijn eigen vinger af. De mannen herpakten zich echter en renden achter het vluchtende mormel aan. In een mum van tijd bleef er enkel wat pulp over, netjes uitgespreid over wat goudstukjes. “Mooi, dat is dan dat” zei een duidelijk tevreden Brecht.

De zon begon ondertussen al vrij laag te staan en de vermoeide reisgezellen begaven zich weer richting Zuiderhaven en kwamen na een uurtje aan bij de hangbrug? Het werd Livio onmiddellijk verboden om van voren te lopen, hij moest maar gewoon zichzelf blijven dedju, en de manschappen vonden al gauw de weg terug. In de verte baadden de stadmure in de gloed van de ondergaande zon toe plots geritsel in de struiken de aandacht trok: “Een blauw pulpje!” kirden ze in koor. Zwaäm probeerde het te lokken met wat vijsjes maar werd bestolen. In een reflex gooide zwaam het net over het draakje waarop het diende te landen. Het volgende “gevecht” was een toonbeeld van extravaganza en bloederige excentriciteit. De mannen hadden hun leukste technieken die dag nog niet getest en probeerden deze dan maar uit op het weerloze schepsel. Vampiric Embrace, Shielding Smite en Flourishes transformeerden het reptiel in een wolk van pus. Enkele terugkerende boeren applaudisseerden enthousiast bij het aanschouwen van het spektakel.

Moe en voldaan vervolgden de helden hun weg naar de stad. In de herberg verkochten ze de twee eieren aan Dick en na een noodzakelijke decontaminatieronde, vooral Livio zijn rechterknie, gooiden ze zich op wat welverdiende potten bier!

Kaart obsidian

View
Een bonte (en blauwe) boel
Verhellen verholpen

Het was enkele dagen bijzonder rustig in Zuiderhaven, wat men deels aan het druiligere weer van de afgelopen dagen weet. Slechts één schip was er nog binnengekomen en zoals het gerucht de ronde deed waren er vele verloren gegaan in de storm van enkele dagen geleden. Dat maakte de sfeer er niet beter op. Niet in het minste omdat met het verlies van die schepen ook meteen de verse voorraad Pibwasser extra dry eraan was voor de moeite.

In de Zoute Zeemeermin was het erg stilletjes die ochtend. Aan de bar zat een wat uitgezakte Paladin, tenmidden een voorraad lege flessen en met een wazige blik in zijn ogen, te genieten van de laatste fles Pibwasser. De deur sloeg open en Zwaäm maakte zijn intrede, keek minachtend naar Brecht en zocht een plaatsje aan de haard, recht tegenover een wat ouder uitziende man die vergezeld was van een Tiefling. Zwaäm gromde wat in zichzelf “Grrmbl, moet er nu echt zo’n mormel onder hetzelfde dak logeren?”. Hun blikken kruisten elkaar even maar Zwaäm bespeurde onverschilligheid in haar blik, geen vijandschap. Hij wilde net een sarcastische opmerking maken toen de oude man zich tot hem richtte: “Intersessant, interessant, waarachtig interessant, een mensachtig reptiel! Werkelijk interessant!”. “Draak! D…R…A…A…K!” gromde Zwaäm, “Dragonborn om precies te zijn! Uit welke achterlijke streek kom jij dat je dat niet weet”. Hij was duidelijk in zijn gat gebeten. De Tiefling grinnikte. De oude man bedaarde Zwaäm en vertelde hem dat hij doctor was en dat hij geïnteresseerd was in alle interessante wezens en dat hij naar dit land was gekomen voor diepgaande studies. Zwaäm wist even niet goed of hij zich gevleid of beledigd moest voelen.

“Mijn naam is Tar Ranak en de charmante Tiefling hier heet Larissa.” vervolgde de oude man. Hij was haar blijkbaar net tegengekomen aan de bar. Zij zocht haar zuster… het was ingewikkeld… iets met overspel en blablabla… vrouwengedoe! Ze viel Zwaäm wel mee, hoewel ze hem met momenten erg irriteerde, maar niet zo erg als Brecht op zijn best… Na wat kennismakend geleuter begon Zwaäm zich wat te vervelen en zei dat hij eens wat blauwe draakjes ging jagen. “OohoHOhOooooh, ik ga mee!” riep Tar enthousiast, “Die wilde ik al lang eens bestuderen! Ga je mee Larissa, misschien vinden we ook wel wat aanwijzingen over je zuster… (stilletjes) en alleen met die hagedis voel ik me toch niet helemaal op mijn gemak…”. Zwaäm zag er geen graten in: Brecht was lazarus, Livio had net een “shopping spree” en het leek hem verstandiger om met wat meer volk op stap te gaan.Tar had al weet van de draakjes en stelde voor om maar direct naar het noorden te gaan, naar de broedplaatsen omdat daar vroeger reeds vele draakjes gespot werden.

Het was nog steeds aan het regenen toen ze de stad verlieten en het land zag er mistroostig uit. Het woud in de verte zag er bedreigend uit, als een donkere waakzame schim, achter een waterige sluier. Larissa kreeg er een rilling van over haar rug. Er werd vooral veel gezwegen onderweg. Een storm woedde op zee. Gelukkig kwamen ze geen problemen tegen op hun tocht naar het noorden en toen ze aan de hangbrug kwamen stopte het eindelijk met regenen. Maar… wat was dat? Zwaäm kende dat wezen. In de buurt van de hangbrug dwaalde een wervelwind rond… met ogen… brrr…

Hoewel Tar dit geweldig interessant vond en even het ding gadesloeg liet hij zich overtuigen om er een weg langs te zoeken. Zonder succes. Dan maar zaaaaaaachtjes erlan… “Hiiiiiiiii”… Larissa slaakte een kreet: het wervelwindje zoog haar naar zich toe en begon haar te knuffelen… enfin… wat ervoor moest doorgaan want ze krijste het uit van de pijn. Vonken van haat en razernij schoten uit haar ogen toen het haar eindelijk losliet en ze plantte in één sierlijke beweging haar dolk in het wezen, waarop het scrok en uitweek… en zich op Zwaäm stortte. Deze had deze uitval voorzien, dook weg en verblindde het schepsel met een Eyebite. Larissa en tarnak maakten van de opening gebruik door hevig in de aanval te gaan. Met succes. Zijn wervelingen namen af in intensiteit en zijn bewegingen werden onregelmatiger. Larissa zag haar kans schoon, haar ogen stralend met bloedlust. Ze likte haar dolk en danste op het wervelwindje af dat als gehypnotiseerd verstarde, bevangen door haar sensuele bewegingen. Ssshhliiiing! De dolk gierde doorheen het wezen. Bijna tegelijk spuugde Zwaäm een grote zuurwolk uit, maar miste schromelijk… Naderhand wist hij te vertellen, zijn neus hevig bloedend, dat hij er niets aan kon doen: Larissa had bij haar aanval gewoon iets te veel vlees laten zien… hij was afgeleid, dus niet een teken van onkunde…kuch… Soit, enkele rake klappen later ging het wervelwindje sissend in rook op en de reizigers haalden opgelucht adem.

Na zich wat opgeknapt te hebben en nadat Larissa haar toilet weer in orde had gekregen begaven de drie zich weer op pad, over de brug, langs de kliffen, richting de broedplaatsen. Ze schrokken zich bijna dood toen plots een schicht over hen heen kwam vliegen. Het kon een havik zijn maar hij werd omgeven door bliksemschichten en dompelde het lanschap in een kil blauwig licht. Een gevoel van ontzag maakte zich van hen meester maar niet voor lang want nog voor het gezelschap goed wist wat hen overkomen was, was de vogel reeds verwenen in het noorden. Tar glunderde als een klein kind dat een snoepkraam had bespeurd, maar vermande zich en stelde vast dat hij op deze plek al eens geweest was. “Juist, juist. Juist ja! Hier is die grot! Kijk maar hier hangt ons touw nog!” en hij repte zich naar de rand van de klif. “Aaah mooie tijden beleefd in deze grot!” zei hei verheugd, “Kom we gaan eens zien of er nog iets te beleven valt”. Zwaäm en Larissa wisten hem echter te overtuigen deze vandaag niet meer te betreden daar deze snel te nat zou zijn naar hunner zinnen en dat ze best de kustlijn afzochten naar nieuwe en interessante plaatsen. Het was bovendien al een stuk in de namiddag en de vloed was al aan het opkomen…

Wat meer noordwaarts kwamen ze aan een smalle kloof. De zee schuimde woest in de diepte, maar in het verste punt van de kloof, net boven de zeespiegel, zagen ze een grot die tot op halve hoogte bedekt was met mosselen en zeewier. De grot die meer als een scheur in de steile wand ingebed zat was toegankelijk via een kleine afdaling. “In het ergste geval krijgen we natte tenen” Zij Tarnak en hij haaste zich, verdacht kwiek voor een man op leeftijd, richting de grot. Zonder boe of ba was hij al de kliffen afgekloutert en stond beneden triomfantelijk te lachen: “Hahaha, mietjes!” kirde hij. Larissa werd wat overmoedig van de provocatie, sprong net iets te nonchalant naar beneden en rondde af met een faceplant in de zee. Dit alles tot groot vertier van Zwaäm. Ze doorzochtten de grot en vonden naast wat prachtige mesthoopjes ook nog eens twee Blauwe Draakjes in een zijgang.

Kaartjegrot

Deze werden dan maar vakkundig verwerkt tot charcuterie. Tarnak voorkwam nog net een totale vermorzeling. Hij wilde immers een lijkje meenemen. Larissa en Zwaäm keken elkaar schaapachtig aan en haalden hun shouders op. “Ieders zijn meug” mompelde Zwaäm en ze onderzochten de grot verder. Na enkele bochten stuitten ze op een een grote doodlopende ruimte en troffen er goud, gereedschap (van Verhellen?), een edelsteen en een koker aan met daarin een pagina uit een havenlogboek… Tar had durven zweren dat Larissa nog snel iets wegstak, maar het kon ook zijn verbeelding zijn… en daarbij, hij had een lijkje: Yay! Er was verder niets bijzonders te vinden, tenzij mest je fantasie kan prikkelen, dus keerde het trio terug.

Toen ze weer bovenkwamen keken ze angstig toe hoe de pokemon… euh flitshavik… in een gevecht was verwikkeld met een wervelwind-ding. Wijselijk slopen onze gezellen weg en haastten ze zich naar de steengroeve. Verhellen stond hen reeds op te wachten en zijn gezicht klaarde op toen hij zijn gereedschap herkende. Hij bedankte hen uitgebreid en beloonde hen met goud. Tar leerde Verhellen de uiterst betrouwbare techniek van het Draakjes wegstaren en ze vertrokken weer naar Zuiderhaven.

De zon was al bijna onder toen ze weer binnen de stadsmuren vertoefden. Bij een frisse pint Sheibwasser, een bruin schippersbier, verdeelden ze de buit en kwamen overeen om de edelsteen te verpatsen en de opbrengst tevens te verdelen over hun drietjes. Tar kocht met zijn verse goudstukken een chirurgieset en sloot zich op in zijn kamer. De kamermeiden vertelden achteraf vreemde verhalen over een naakte oude man die sinister lachend door zijn kamer huppelde, besmeurd met ingewanden en drakenbloed… Larissa en Zwaäm gingen tenslotte nog eens langs Wout de havenmeester om wat meer te weten te komen over het stuk log dat ze gevonden hadden. Bleek dat smokkelaars wel eens meer documenten jatten uit de lokalen van de reders en dat er reeds vele malen premies werden uitgeloofd voor al wie smokkelaars kon aangeven of doden. Bij de stadswacht weten ze ongetwijfeld meer…

Kaartje2

View
Romantische weekendje op jacht. (1)

Vroeg in de ochtend in de Zoute Zeemeermin had Korom net zijn portie eieren op en was hij een vrij bizar smakend pibwasser aan het drinken, toen hij plots aangesproken werd door een zekere Tiefling, genaamd Lerissa. Ze wou op schattenjacht in een grot in de buurt en omdat het hem momenteel niet uitmaakte wat hij deed, ging hij maar al te graag in op het voorstel. Net toen ze wilden vertrekken, werden ze echter aangesproken door een donker individu die zich verborgen hield onder zijn mantel. Het enige wat aan hem opviel was een klein vreemd kettingske rond zijn nek. “Gareth Owan” introduceerde hij zichzelf. Hij wist ons te vertellen dat hij een wreker was en sterk geloofde in Melora, de godin van de wildernis. Den bospoeper… grinnikte Korom. Na even twijfelen besloten Lerissa en Krom om Gret toch mee te nemen naar de grotten.

Lerissa toonde een kaart waarop een grot in de kliffen langs de oceaan stond aangeduid, maar zelfs met de kaart bleek al snel dat het vinden van die grot geen evidentie was. Het drietal wist via een kleine omweg af te dalen op een smal strandje waar ze in de zeven meter hoge kliffen een aantal ondiepe grotten vonden. Maar het leek wel of iemand hen was voorgeweest. Ze vonden amper een oud verlaten drakennestje met erin een oude fonteinpen, wat goudstukken en een primitief jachtmes met felgekleurde veren.

Maar ze gaven zich niet zo snel gewonnen. Korom, athletisch als hij is, besloot om even de klif op te klimmen op zoek naar eieren. Maar hoewel hij daar geen eieren vond, zag hij wel dat er iets verderop heel veel vogels waren, en daalde terug af om dit nieuws te vertellen. Maar toen ze aankwamen bij de vogels, merkten ze dat ook daar reeds een aantal van de nesten was leeggeroofd! Gelukkig was er nog een nest dicht genoeg met drie heerlijk uitziende eieren. Korom twijfelde niet, hij bond één uiteinde van hun touw rond zijn middel, schreeuwde naar Larissa om het andere uiteinde vast te maken aan een boom en klom naar het nest toe. Dat de twee albatrossen, waarschijnlijk de ouders van de eieren, hiermee niet opgezet waren, kon hem niets schelen en hij greep naar de eieren. De vogels vielen hem aan als bezetenen, en terwijl Korom ze gedurig afweerde, schoten Gareth en Lerissa nauwkeurig op de vogels waardoor Korom de kans kreeg om tot boven te klimmen. Eenmaal boven was de strijd snel voorbij, Korom haalde zijn zwaard boven en onthoofde de vaderalbatros met bijna chirurgische precisie, terwijl Larissa de andere albatros aan stukken slingerde. Ze droomden al van vers gebakken eieren en albatrossen-pastei.

Terug gearriveerd in Zuiderhaven verkochten ze de eieren en de albatrossen aan de kok, die ze eerst weigerde omdat hij al méér dan genoeg eieren had ontvangen van andere avonturiers. Ik ben toch benieuwd wie ons steeds voor is, grommelde Korom, het lijkt wel competitie. Dan maar eens horen bij de apotheker Thalius, misschien heeft hij nog iets nodig. De bleke man met lang gewaad nodigde ons uit binnen te komen in zijn kamer vol met potten gevuld met bizarre planten en wezens op sterk water. Hij deed het drietal een voorstel. Als ze een aantal gifmonsters van pijlstartroggen of rode argalbloemen meebrachten, kon hij een sterk gif maken voor de avonturiers. Hierop besloot het drietal om erop uit te trekken naar het Glinsterstrand.

Na zorgvuldig een overvloed aan krabben te hebben ontweken, zagen ze in het water een pijlstaartrog vergezeld van twee krabben. Die moeten we hebben, dacht het drietal. Korom doopte de twee krabben snel tot Mark en Bieke, Gareth wou nog een huwelijk aangaan met één van de krabben, maar Lerissa zorgde al snel voor de begrafenis. Het vreemde aan heel het gevecht was dat je Gret steeds zag teruggrijpen naar die kleine ketting van hem terwijl hij iets mompelde over “Eed van vijandschap”, .... maar verder gebeurde er niets! Terwijl Korom een bloederige strijd aanging met de krabben en Lerissa op afstand keihard met haar sling alles doorboorde wat ze zag, greep Gret zijn kettingske vast, .... maar verder gebeurde er niets. Korom was wel zwaar onder de indruk van de vechtstijl van Lerissa waardoor hij al snel een boontje had voor de geduchte thiefling. Met behulp van een net sloeg ze er zelfs in om de pijlstaartrog op het droge te trekken. “Hoera! Een levende pijlstaartrog gevangen! Hier gaat Thaluis veel gif kunnen uithalen!” juichten ze, maar Gret kon het niet aanzien hoe de rog snakte naar adem en stak zijn zwaard door het hart van het arme dier. Nu ze de smaak te pakken hadden, gingen ze verder de kustlijn af op zoek naar nog meer roggen. Maar plots zag Korom iets glinsteren in het water. Het was een klein flesje met een bebloede kaart erin. Een schatkaart! We worden rijk! Ze vergeleken de schatkaart met de kaart die Larissa eerder toonde en kregen al snel een vaag idee waar de schat zich kon bevinden. Ze vervolgden hun jacht langs de kustlijn en passeerden langs een ruwe stenen structuur die op een klein eiland gelegen was. Het structureke had de vorm van een altaar en was gericht naar de oceaan, met enkele speren aan weerszijden getooid met allerlei veren. Erop lagen tal van gedode vissen, roggen en krabben… Een luguber offeraltaar. Snel grepen ze nog een mooie rog mee van het altaar en zetten ze hun weg voort.

Ze waren zo dicht bij de schat dat ze hem al konden voelen, maar hun aandacht werd weer even afgeleid toen ze in de oceaan drie pijlstaartroggen zagen zwemmen. Ze grepen die kans met open armen en stormden het water in. Maar met de viskunsten van ons trio maakten de roggen geen schijn van kans. Het leek wel op een mengeling van “al wie niet weg is, is gezien” en “tikkertje”. Kinderspel. Na een fijne dag aan het strand, begon het te schemeren. Het werd maar eens tijd dat ze terugkeerden naar Zuiderhaven. Je weet nooit wat je te wachten staat in die gevaarlijke wildernis. Daar aangekomen bleken de poorten van Zuiderhaven gesloten te zijn! Ze klopten op de deur, brulden iedereen wakker en na enig aandringen werden ze toch binnengelaten en konden ze genieten van een welverdiende nachtrust.

View
Romantische weekendje op jacht. (2)

De dag erop stonden onze vrienden terug vroeg op en bezochten met hun uren in de wind stinkende zak vol met vis, als eerste apotheker Thaliuuus. Hij was verwonderd dat ze maar liefst vijf roggen voor hem bijhadden. Hij ging ze direct bestuderen en zette hen buiten…. “Kom morgen terug, dan geef ik jullie een afgewerkt gif…”.

Na een stevig ontbijt van eieren en albatrossen-pastei zaten ze nog altijd met hun hoofd in de wolken. We gaan die schat opgraven! Maar dit was niet het enige waaraan Korom dacht. Hij was zeer onder de indruk van de gevechtkunsten van Larissa en had wat vreemde gevoelens voor haar.
Toen ze Zuiderhaven verlieten en overstrand wandelden, stond de zon roodgloeiend boven de oceaan, de golfjes kolfden tegen het zand en een zacht doch warme bries deed je volledig ontspannen. Beetje bij beetje ging Korom dichter bij Lerissa lopen, maar toen hij haar een hand probeerde te geven, schrok ze, duwde ze hem van zich af en brulde: “Gij omhooggevallen stuk testosteron.” Gareth kwam snel tussenbeide om de gemoederen te bedaren, maar Korom zou kunnen zweren dat hij onder die donkere mantel een kleine glimlach had gezien.

Ten slotte kwamen ze aan op de plaats van de aanduidigen: In de verte een eiland en op het strand stonden vier typerende palmbomen iets voor de wilderness, net zoals op de schatkaart.

Scannen0003

Tien passen voor de derde palmboom begonnen ze te graven en jawel hoor …. ze vonden een oude primitieve kist. Larissa bekeek het slot even en in een mum van tijd had ze de kist geopend.
In de kist vonden ze een halfvergane wambuis (vest) met oud geel-bruine ruiten, een verroeste dolk, een ijzeren zegelring waarop “Isambard Samul” stond gemarkeerd, 3 schoenveters, enkele goudstukken en 3 journaalpagina’s geschreven op perkament.
Op de gescheurde pagina’s konden ze nog volgende delen lezen:

1) … zoals andere afgodsbeelden van de Utraiyi, omgeven door een milde natuurmagische kracht, zoals daar zijn aan omliggende aarde gras doen ontspruiten en nog meer van zulke curiositeiten. Maar deze was glanzend gehouwen erts, zonder enig spoor van handwerk! Ik kan niet geloven dat deze aan hun primitieve brein ontsproten is. Ook smid Robertson bezwoer mij dat hij nimmer zulke een makelij had aanschouwd. Mijn enige hypothese nu is dat op hun jachttochten noordwaarts de Grote Jungle in een…

2) …aan kleptomane neigingen toen ik hem inhuurde! Dus al die keren was het mijn bloedeigen assistent Otto! Het schaamrood verschijnt op mijner wangen als ik denk aan die arme pachter die ik onterecht beschuldigde in Zuiderhaven. Het was Pepijn die de diefachtige elf gisternacht met zijn grijpgrage handen diep in mijn uitrusting betrapte toen hij terugkeerde van zijn wachtronde. Hij rende weg met zijn staart tussen de benen richting Argali, regelrecht de moer in. Helaas helaas! Hij had mijn recentste vondst op zak… maar ik vrees dat zonder ons de bollewoggers hem er snellen van zullen ontroven. Ach en wee, zulk een antropologische schat voor …

3) … eruit. Otto meldde ons opgewonden dat hij had ontdekt dat de Utraiyi een dorp hadden, tegen de voetheuvels van het Lansiersgebergte. Neet zoals ik verwachte! Dit lijkt me de meest uitgesproken opportuniteit om meer van diekunstvoorwerpen te verzamelen, maar met spijt in het hart ga ik hier in een wijde boog rond trekken. Ondanks mijn goede pogingen blijft hun gedrag te vaak vijandig — om van die verduivelde vallen nog maar te zwijgen. Dankzij de goede zorgen
is mijn kuit eindelijk voldoende genezen om morgen kamp op te breken en zelf verder te verkennen. Ik kan al niet wachten om te ontdekken welke nieuwe geheimen ik dieper in dit
mysterieuze continent ga aantreffen!
(getekend met de initialen “I.S.”)

Verheugd van de vondst besloten Lerissa, Gret en Krom om terug af te zakken naar Zuiderhaven, misschien kon er iemand nog meer vertellen over de journaalpagina’s. Ze gingen terug langs het strand, visten nog snel een pijlstaartrog uit het water en zagen in de verte een mast uit het water steken. Toen ze dichterbij kwamen, merkten ze dat dit de mast van de Concordia was, maar toen ze ook merkten dat er in het diepe water twee mensachtige wezens verscholen zaten waarvan er eentje enorm gespierd was en vier armen had, zetten ze het allemaal op een lopen.

Net toen ze Zuiderhaven konden zien, kwam er een gigantische krab uit het water gekropen. Ze was wel vier keer zo groot, hing vol met bling bling goud en had twee vlijmscherpe scharen.
C R A B D A D D Y !
Deze gangsta was “A real badass mofo lookin for trouble” en het werd dan ook al snel een gevaarlijke strijd waarbij Crab Daddy Gret en Krom het water probeerde in te sleuren. Maar toen Korom plots in een boom veranderde, wist de krab niet wat hem overkwam en werd hij met chirurgische precisie gefileerd door de welberuchte “Form of the willow Sentinel Attack”.

In Zuiderhaven aangekomen bezorgden ze nog snel de pijlstaartrog aan apotheker Thalius voor ze hun bed indoken.

View
Expeditie Neder-Jungle
"Oink, oink"

2010.09.18.17.30Zoals het een stel prima helden betaamt, zaten Korom, Gareth en Brecht ’s ochtends vroeg reeds in de bar van de Zoute Zeemeermin aan de dokken van Zuiderhaven. Ze bogen er zich nog wat over de 3 journaalpagina’s van Isambard Samul en kwamen tot de volgende conclusies:

  • de Utraiyi, beter gekend als ‘de groene junglemannen’, hebben magische afgodsbeelden (eromheen begint plots gras te groeien) en Isambard had ze blijkbaar iets prachtig (van ‘glanzend gehouwen erts’) afhandig gemaakt – smid Robertson zou zich dat voorwerp misschien herinneren
  • er is een Neder-Jungle, maar bijkbaar ook een Grote Jungle?
  • Otto, een elf en assistent van Isambard, had iets van hem gestolen (misschien bovenvermeld prachtig voorwerp) – dat had een zekere stadswachter Pepijn althans gezien – waarna Otto dan de Argali Moer ingevlucht is (alwaar vermoedelijk bollewoggers zitten)
  • tegen de voetheuvels van het Lansiersgebergte is een dorp van de Utraiyi, maar die waren ook Isambard ook nogal vijandig

Na wat informatie in te winnen bij Nolle en Robertson, de smid in Zuiderhaven, omtrent Isambard blijkt dat hij een nieuwsgierige, eerlijke verkenner was die er 2 jaar geleden veel op ontdekkingstocht ging, maar daarna niet meer gezien werd. Er moet nog eens met stadswachter Ivan gesproken worden om te horen of die een zekere Pepijn kent. Robertson vertelde ook nog dat Isambard hem lang geleden een prachtig wapen toonde: een gekromd kortzwaard met in het heft ervan een rood kristal. Hij vertelde dat hij geen idee had hoe dit wapen gemaakt was: het zag er niet uit alsof het gesmeed was.

Hierna vertrokken Korom, Gareth en Brecht richting Neder-Jungle om er wat frisse lucht te gaan opdoen. Na lang stappen door de dichte begroeiing, botsten ze op twee Utraiyi stamleden die blijkbaar op jacht waren. Een van hen werd zo hard onder handen genomen, dat de andere prompt en vol paniek op de vlucht sloeg naar het oosten. Na lange tijd verder stappen richting noorden, stonden 3 everzwijnen te keuvelen. Overenthousiast stapte Brecht erop af, maar het gevecht werd iedereen bijna fataal – vooral voor Gareth, die als eerste besloot om even dood-uitgeput tussen de snuivende everzwijnen te gaan neervallen.

Omdat het oriëntatiegevoel wat zoek was, besloot Korom de dichtstbijzijnde boom in te klimmen – wat in de verbaasde ogen van Brecht meer leek op het vliegensvlug oprennen van de boomstam. Even later zat hij al in de kruin te turen naar de omringende horizon. “En dat voor zo’n minotaurus?!”, dacht Brecht nog. Het noorden werd bijgesteld, maar Korom had ook een grote nevelwolk boven de bomen zien uitstijgen, er niet ver vandaan. Nadat Gareth even alleen op onderzoek getrokken was terwijl de anderen hun wonden likten, bleken er 4 watervallen te zijn die vanuit de Lansiersbergen met veel geweld op een groot bekken inbeukten. Een snelstromende rivier vertrok hier vanaf het bekken naar het noordoosten. De rand van het bekken bleek de ideale plaats om (weliswaar niet in alle rust) te overnachten.

De volgende dag trokken allen verder naar het noordoosten, langs de junglerand, de rivier vanaf het bekken volgend. Aan de overzijde van de rivier rees het Lansiersgebergte als een stenen muur op uit het water. Voor zover er sprake was van een andere oever, lag die alleszins een pak hogerop. Na even stappen kwamen ze nog een waterval tegen die van uit het gebergte in de rivier dreunde. Iets verder boog de rivier naar rechts en boog hiermee weg van het gebergte. Op het hogerop gelegen plateau aan de andere oever was ook terug jungle, maar daar kon je van hier niet veel zien.

Iets verder stond aan de zoom van de jungle weer maar eens een everzwijnen te snuiven, gelukkig deze keer alleen. Het puike plan om het everzwijn het kolkende water te laten inrennen (door net op tijd opzij te duiken), liep uit op een sisser. Maar niet getreurd: na het ondier wat toe te takelen met hamer en zwaard, bleek het toch nog een tevredenstellend plons-geluid te maken toen Brecht het levenloze beest tot over de oeverrand sleepte. “Mooi zo!”, en alleen konden terug vrolijk verder.

Na terug een bocht naar links en wat verder te stappen, bleek het plateau langs de andere kant van de rivier gezakt tot op hetzelfde niveau – later moet er daar boven toch nog eens een kijkje genomen worden. De jungle langs de andere kant bleek zo mogelijk nog heel wat dichter begroeid te zijn dan hier! Uiteindelijk monde de rivier in de Argali uit en werd besloten hier terug naar het zuiden te wandelen.

Na lang stappen kwam de zee terug in zicht. Korom, Gareth en Brecht zwommen nog even naar de zandbank, waar de Argali in de zee uitmondde en staarden van daar wat naar de Argali Moer: een zompig gebied vol dooie bomen en heel veel muggen. Mede door het feit dat het er enorm hard stonk, kon het ze op dat moment nog maar weinig boeien en vermoeid ging het gezelschap dan maar terug naar Zuiderhaven.

Terug in de stad aangekomen, gingen allen nog even een bezoekje brengen aan Apotheker Thallius, die enkele porties zwaarvoetgif had klaargemaakt op basis van de gifklieren van de pijlstaartroggen die hem gegeven waren: het effect van het gif bestaat erin dat je spieren verstrammen en je je niet meer kunt bewegen. Gareth vertelde ook wat over het prikkelgif dat hij bijhad, maar dat bleek helemaal niet zo impressionant te zijn. Tenslotte gaf Brecht Thallius nog zijn Rode Argal bloem die hij in de Neder-Jungle gevonden had om het gif ervan te laten onderzoeken.

Tevreden ging iedereen terug naar de Zoute Zeemeermin om er van een goede nachtrust te gaan genieten.

View
Verkenning van de Piratenbaai en Mijn A
"Shiver me timbers!"

2010.09.19.18.00Lerissa zit in de Zoute Zeemeermin te mijmeren over oude en nieuwe continenten, oude en nieuwe vijanden en de goudstukken in haar beurs wanneer ze opgeschrikt wordt door een koperen pot die voorzien is van een gleuf met daarachter twee grote ogen. Het blijkt Brecht Bavarois te zijn, die goed gezelschap en een nuttige bezigheid zoekt. De twee maken kennis en roddelen wat over hun mede-avonturiers. Zo vraagt Brecht onomwonden naar de gevoelens van Lerissa voor Korom en komt hij te weten dat er op het oude continent nog een man (of eerder Tiefling) in het spel is. Lerissa verandert snel het onderwerp en zo beslist het tweetal om samen met Gareth eropuit te trekken, richting Lansiersbergen. Brecht wil Mijn A gaan uitspitten, Lerissa wil eerst op zoek gaan naar Kielhaal Katrina. Volgens Brecht een geducht tegenstander, maar Lerissa is ervan overtuigd dat ze met haar vrouwelijke intuïtie haar zwakke plekken wel zal detecteren.
Alvorens Zuiderhaven te verlaten, wisselen de Brecht en Gareth nog wat vloeistoffen uit, met name zwaarvoetgif en prikkelgif.

Goed voorbereid trekken de avonturiers langs het pad noordwaarts. Wanneer ze de bergen voor zich zien opdoemen, trekken ze naar het westen, richting kust om op zoek te gaan naar piraten. Ze komen uit in de buurt van de drakengrot die eerder al werd leeggehaald. Aangezien Brecht het noorden kwijt is, neemt Lerissa het initiatief om de kustlijn verder te volgen. De snedige wind belet hen om te genieten van het mooie uitzicht op de oceaan, maar hun doorzetting wordt beloond wanneer ze een schip ontdekken in de volgende baai. Het drietal bevindt zich boven op een gewelf en heeft geen mogelijkheid om de afgrond van 15 meter te overbruggen. Onder het gewelf is vermoedelijk een piratengrot. Ze beslissen terug te keren naar het pad en verder te gaan naar Mijn A.

Die vinden ze aan de voet van het Lansiersgebergte. Het pad slingert de bergen in en er staat een gigantisch bord dat niemand echter ziet: « nooit ‘s nachts de pas oversteken » heeft iemand er in zeven haasten opgeschilderd. Mijn A is volledig vervallen en verlaten, maar Brecht is door het dolle heen dat hij zijn zin heeft gekregen, en begint alle hoekjes en kantjes uit te kammen. Hij bekijkt de houten huisjes, onderzoekt de schuur (die leeg is) en overtuigt Gareth om in een ultieme krachtinspanning een wagentje terug op de rails te plaatsen. Daarmee wil hij de dichtgetimmerde mijngang inbeuken. Lerissa merkt echter fijntjes op dat het ding veel te verroest is om het überhaupt in beweging te kunnen krijgen. Ze verwijderen de planken dan maar op de ouderwetse manier, met de hand, en ontdekken dat de planken pas recent opnieuw aangebracht werden.
2010.09.19.18.00.ondergronds
Ze begeven zich in het donkere gat en nu pas valt hun koperstuk dat ze bij hun « goede voorbereiding » beter ook aan een lantaarn hadden gedacht als ze toch van plan waren om de mijn te gaan verkennen. De gang komt uit op een zaal die uitgeeft op een kamer en twee mijngangen. Rechtdoor links een gang met rail, rechts zonder rail. De kamer aan de linkerkant is een oud kantoor met een hoop stof, verschrikte spinnen en een paar olielampjes. Brecht bekijkt elk stukje halfvergaan papier, maar wordt niet veel wijzer. Lerissa krijgt last van haar stofallergie en begint haar geduld te verliezen. Gewapend met het olielampje aan de hamer van Bavarois verkent het drietal de rechtergang. Daar stoten ze op acht kleine ratten en twee big momma-ratten. Brecht heeft het lumineuze idee om de knaagdieren aan te vallen met de olielamp, waardoor ze al snel in duisternis gehuld zijn. Gareth leidt het gezelschap terug naar de beter verlichte zaal, waar het ongedierte vakkundig in de pan wordt gehakt, maar Brecht loopt daarbij een vuile beet op die een zwarte plek achterlaat. Hij voelt zich meteen al wat minder heldhaftig.
Aangezien de rechtergang doodliep, verkennen de avonturiers nu de linkergang met de rails. Ze vinden er het skelet van een stadswachter, Jakob Hulderik. Buiten zijn identiteitskaart zonder bijbehorende kaartlezer heeft hij helaas niets (en al helemaal niets van waarde) op zak. Het drietal neemt een aftakking naar links, de gang die rechtdoor loopt, wordt niet verkend. De gang komt uit op een zaal met een verroeste lift en een steile trap.
Ze nemen de trap naar beneden. Hier is een deur naar een kleedkamer, die alweer niet veel meer oplevert dan een acute aanval van stofallergie. Er zijn vier gangen. Ze nemen de gang waar de meeste voetstappen in het stof te zien zijn. Deze gang lijkt echter dood te lopen. Brecht staart naar de rails die verder lopen tot tegen de muur. Lerissa duwt tegen deze muur en valt er los door. Optisch bedrog! Iets verder is er een doodlopende zijgang die bewaakt wordt door een luid snurkende dronkaard. Hij is gewapend met een mes, dus laten hem zijn roes uitslapen.
Wat verder is er een amateuristisch uitgehakte recente gang die afdaalt en uitgeeft op de baai. Lerissa gaat even piepen en ziet houten steigers, waar het schip van daarnet is aangemeerd. Ze zitten onder het fameueze gewelf. Er staan kisten vol koopwaar, kooien met exotische dieren, tenten met voorraden, een paar barakken, een kanon en ze kan vijf mensen bespeuren. Ze voelt een onweerstaanbare drang om even weg te glippen en in de kisten vol waardevolle snuisterijen te graaien en het kost haar al haar zelfbeheersing om hier toch niet aan toe te geven.

Omdat het al laat is, besluit het drietal te overnachten in een half ingestorte, maar stabiele mijngang. Hun nachtrust is echter van korte duur, want ze krijgen al snel het gezelschap van twee big momma-ratten en twee rattenzwermen. De krijgers zetten hun beste beentje voor in de smalle gang, maar het leven van Lerissa hangt al snel aan een zijden draadje. Ook Brecht en Gareth zijn er slecht aan toe, maar verbeten zetten ze door. Gareth verspreidt een magische gloed die het karma van de strijders verbetert en Lerissa en Brecht ertoe aanzet om hem hun liefde te verklaren. Hun vereende krachten doen de ratten uiteindelijk in het stof bijten. Na een welverdiende nachtrust voelt Lerissa zich weer zo fit als een hoentje, maar de mannen die haar beschermd hebben, voelen zich belabberd, ze hebben vuile wonden die niet zomaar genezen.

Ze keren snel terug naar Zuiderhaven, waar apotheker Thallius vaststelt dat Brecht en Gareth vuilkoorts hebben. Hij verwijst hen door naar het gasthuis Sint Avandra. Brecht is wantrouwig tegenover geneesheren met een ander geloof, maar kiest uiteindelijk eieren voor zijn geld en telt een aantal zuurverdiende goudstukken neer voor hun goede zorgen. De geneesheer wijst hen er nog op dat ze op zoek zijn naar geneeskrachtige ingrediënten uit de Argali Moer: schimmels, paddenstoelen, mossen, enz. Geïnteresseerde avonturiers kunnen zich tot hem wenden voor meer informatie.
Terwijl de mannen opgelapt worden, geniet Lerissa van een flinke portie everzwijnspek met albatroseieren.

View

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.