the Wild Lands

De confrontatie met Amod

Na een rustige nacht voor Brecht, Poot en Donoma aan de poorten van Kajaat, kwam Moebius vrolijk aangewandeld. Hij hield iets verborgen achter zijn rug, wat de nieuwsgierigheid bij onze vrienden duchtig aanwakkerde. Deze keer waren zij ongeduldig. Moebius hield hen niet langer in spanning en haalde een mooi bewerkt plakaat tevoorschijn met als opschrift: ‘In memoriam Gareth Owan’. Iedereen was lichtjes ontroerd bij de herinnering aan hun dierbare vriend. Er werden wat ideeën uitgewisseld over de plaats waar het het meest tot zijn recht zou komen. Moebius opperde om het aan het standbeeld van Perelgaard te bevestigen, maar dat idee werd toch met lichte twijfel afgevoerd. Voorlopig werd het opgeborgen in de bodemloze zak van Brecht tot er een geschikte gelegenheid zich zou voordoen. Stiekem werd er gedroomd van een overwinning in Khûm Aram, wat dan een ultieme plaats zou zijn om het plakaat neer te planten.
Na wat ochtendgymnastiek, staken de vrienden bij een stevig ontbijt van bessen en granen, de koppen bij elkaar om hun plannen voor die dag te bespreken. Ze zouden naar het zuid-oosten trekken, op zoek naar de huid van de felbegeerde padgod Amod.
Vanuit Kajaat volgden ze de rivier. Sommigen orienteerden zich op de opkomende zon die hun gezichten streelden (of helm deed blinken), anderen vertrouwden meer op hun kompas, maar uiteindelijk waren ze het toch eens over de te volgen richting. Onderweg gebeurde er niet veel bijzonder, af en toe stak er een windje op wat sommige blaadjes deed trillen :-)
Aangekomen bij de Moer zagen ze een klein kamp met enkele hutten en uitgedoofde vuren, vermoedelijk van de Bollewoggers. Dappere kleine Donoma ging op verkenning, maar al gauw bleek er geen gevaar te zijn. De verzamelaars in hen bleven echter ook op hun honger zitten, want er viel niets te rapen tenzij een hoop rottend, stinkend vlees.
Ze vervolgden het kleine rivierstroompje toen ze plots opgeschrikt werden door wat geritsel in het riet. Verstijfd van schrik hielden ze hun adem in en al gauw bleek hun angst niet ongegrond; drie afgrijselijk grote krokodillen naderden met rasse schreden. Als een schietgebedje sprak Brecht hen allemaal moed in en je zag hun strijdlust groeien. Ze streden tactisch en hakten de logge reptielen tot moes. Graag hadden ze een stuk van het kostbare slangenleer (:p) meegenomen, maar bij gebrek aan geschikt vil-materiaal, bleef het bij een klein reepje als soevenir. Donoma was lichtjes ontgoocheld, ze zag een nieuw leren rokje anders al helemaal zitten, maar het gewonnen reepje was een beetje klein.
Maar hun doel was Amod. Na een kleine pauze om op adem te komen op de verleidelijke tonen van de luit, vervolgden ze hun pad.
Ver zou het niet meer zijn. Met de verrekijker zag Poot in de verte een houten pallisade. Daar moest de verblijfplaats van Amod zijn. Voorzichtig kwamen ze dichterbij, ze wilden in geen geval hun komst aankondigen. Voorzichtig zagen ze dat de pallisade zich enkel aan de voorzijde van het eilandje bevond, met een smalle toegangsweg ernaartoe. Voorzichtig zagen ze dat er een stenen structuur aan de achterzijde van het eiland stond. De spanning was deze keer te snijden. Iedereen voelde aan dat het cruciaal was om de juiste aanvalstactiek te kiezen. Het zou een strijd worden op leven en dood.
Donoma kreeg het even zo benauwd dat ze voorstelde om het misschien eens diplomatisch aan de pakken, maar daar konden de andere helden niet mee lachen, tenzij groen. Poot stelde voor om zijn gedaante te veranderen in een wijfjespad, maar ook vrouwelijke charme zou bij deze aseksuele paddenbevolking geen soelaas bieden, hij zou nog eerder opgevreten worden. Dan maar ten aanval. De mannen overlegden en bespraken de invalswegen die hen, strategisch gezien, het meest succes zouden bieden. Rechtvoor doorheen de pallisade leek iets te heroïsch, aangezien onbekend was hoeveel bollewoggers hen zouden opwachten aan de andere kant. Het leek voor iedereen veiliger om rond te gaan via de zee. Om niet te veel krachten op te doen tijdens het zwemmen – gezien er allicht nog een zware strijd zou volgen- en omdat ze niet wisten hoe sterk de stroming zou zijn, sjorden Moebius en Brecht een vlot in elkaar met wat gesprokkelde stammen en veranderde Poot in een elegante dolfijn die hen gezwind door het woelende water lootste.
Baywatchgewijs rezen ze uit het water en zwierden de haren droog. Brecht riep hen voorzichtig samen en moedigde iedereen nog eens aan om het beste van zichzelf te geven. De adrenaline gierde door hun aderen. Zonder enig geluid klommen ze op de stenen constructie en gluurden met kikkeroogjes over de rand. In het midden van het stenen bouwwerk bevond zich een grote poel met een zeer corpulent wezen, dat duidelijk aanbeden en continu gevoed werd, dat moest Amod zijn. Verder waren er nog een viertal gewone bollewoggers, twee spastische Twitchers en één Mudlord aanwezig. Vooraan lag er een enorme hoop levensloos vlees, het bleek een allegaartje van mensenvlees, dierenvlees en zelfs bollewoggervlees. Zelfs hun eigen soort vreten ze op. Aangezien onze vrienden langs achteren gekomen waren, lag het in hun voordeel dat de meeste van de aanwezige bollewoggers zich op een afstandje bevonden. Als afleidingsmanoever produceerde Donoma met haar panfluit een ghostsound van een afgrijselijke gil die door merg en been ging, temidden van de vleesberg, in de hoop dat alle koppen daarop gericht zouden zijn. Buiten alle verwachtingen in, was de enige reactie hierop, Amod die met zijn meterslange glibberige tong uithaalde naar de hoop, er een brok uitsleurde en in één hap doorslikte. Onze vrienden slikten ook… Het zou geen gemakkelijke klus worden. Zeker toen ze bedolven werden door een stinkende zure douche van slijm uit Amod zijn bek. Donoma haar leven hing even aan een zijden snaartje, gelukkig kreeg ze tijdig een helende hand op de borst van Brecht en Moebius. Ook Brecht zelf bleef niet gespaard, hij bleek het favoriete snoepje van Amod en moest regelmatig een welgemikte tongslag zien te ontwijken. Meermaals werden ze bedolven door slijmbraaksels en vuurballen. Niemand had het verwacht, maar dankzij een goed teamwork en moedig doorzettingsvermogen slaagden Brecht, Moebius, Poot en Donoma in hun doel. Ze versloegen de gevreesde Amod en zijn slaafjes. Ze vielen elkaar in de armen en maakten een vreugdedansje. Bewijsmateriaal werd verzameld. Soeveniers werden eclectisch uitgekozen. Moebius verkoos twee paddentenen met tussenhangend vlies. Poot verfraaide zijn winterstaf met de elastische tong van de meesterpad.

Enkele uren later kwamen de vier musketiers fluitend van vreugde aan in Zuiderhaven. Ze werden op handen gedragen, vlagjes wimpelden in ieders hand. De stadswacht bedankte hen op gepaste wijze met 400 goudstukken, die eerlijk verdeeld werden. Er werd nog een een bezoekje gebracht aan smid Robbertson, die met het paddenleer wel raad wist.
Moe maar voldaan beëindigden ze hun avontuur voor die dag in de Zoute Zeemeermin voor een verfrissende pint Pisswasser.

View
Migraine Mountains
"Wat een koppijn!"

De Kerker Van Azhrymeus

Kerker van azhrymeus kalpa 1Na de kamer met de versteende bomen werden ook de laatste kamers van kalpa 1 nog bloot gelegd:

  • een kamer met gigantisch wandtapijt (tafereel van vuur en een draak) en een val in de deur naar de volgende kamer
  • een kamer met urnen waarvan vele reeds omver gevallen en gebarsten waaruit vloeibare kleurstoffen de vloer besmeurden
  • een kamer met mozaïek in slangenmotief
  • een kamer in lichter laaie (enkel de wanden)
  • een kamer met een pseudo-draakje en een stel rovers (waaronder één met schijnbaar zo’n grote oren dat ie problemen had om door de deur te passen)
  • een kamer met doodskisten gevuld met lijken in bittere vloeistof
  • de uitgang en tegelijk doorgang (valluik) naar kalpa 2

Dumbo dief

De Koopman

Na terug uit de kerker opgestegen te zijn werd rijkelijk met zoete brandewijn gevierd. De helden kregen 330gp krediet bij de Koopman waar ze het volgende voor kochten. Donoma legde nog een deel bij voor haar nieuwe luit:

  • 2x beschermende amuletten (80gp/st): +1 Fort, Ref & Will
  • een Cealdrische luit +1 (200gp): met bijhorende power

De Gebroken Kust

Poodle pootNa even de mogelijkheden van Poot zijn transformaties te bespreken en de conclusie dat een mega Poedel-Poot een leuke party trick zou zijn, werd de Gebroken Kust verekend:

  • in dit gebied krijg je enorme hoofdpijn (migraine mountains)
  • het landschap zit vol kraters, barsten en ravijnen vanaf de kustlijn
  • alle magische energie blijkt er enorm verstoord
  • in een grot ontdenkte hier viertal een oude slaapplaats van de elf Otto (helper van Isambard Samul die het vuurmanawapen gestolen had). Er lagen nog enkele notities:
    • hij had enorme schrik van de monsters hier
    • vermelding van de Tuinen der Zaligheid (slechte plaats volgens Otto)
    • hij had spijt dat ie naar hier getrokken is
    • aan de hand van gevonden sporen blijkt dat hij verder naar het noorden getrokken is
  • na een gevecht met een wreed irritant teleporterend tentakelbeest ontdekten de helden de blauwe piek in het water met een draaikolk eromheen

Gebroken kust

Kajaat

Uiteindelijk trok het viertal vlug terug naar Kajaat om er tot rust te komen en van de koppijn vanaf te zijn.

View
Drakentocht
Onze helden bevonden zich ergens diep in de kamers en gangen die de koopman voor hen geopend had. Door de uitgestrektheid die de kleine doos bezat leken ze als miniaturen in een wreed spel. De vertwijfelde stilte werd echter doorbroken door Brecht die hen moed in sprak. Ze hadden toch overwonnen? Dit was nog maar het begin van de kerker van Azhrymeus, maar ook nog maar het begin van hun krachten. De vertwijfeling die Brecht zelf voelde doorheen zijn woorden, werd gelukkig niet gemerkt door zijn vrienden die zich nu gesterkt voelde en klaar voor de strijd. Ze zouden niet bij de pakken blijven zitten en opende snel een deur. Of eerder behoedzaam, héél behoedzam. Deur na deur werd geopend alsof het een poort naar de hel was. En telkens waren ze weer verbaasd door wat ze vonden. Eerst een kamer met stinkende wandtapijten, verlicht door enkele fakels en op het einde een rottende kist. Met uiterste voorzichtigheid betraden ze de kamer, maar deze bleek volkomen veilig te zijn. Brecht doorzocht de kist en haalde er een versleten zandloper uit met een gebroken glas. Met enige voorzichtigheid plaatste hij dit stoffig voorwerp in zijn bodemloze zak. Poot kwam er nieuwsgierig naast staan. “Ga je dat echt meenemen?”. Maar een antwoord had hij eigenlijk niet nodig, Brecht verbaasde Poot nu eenmaal wel vaker met zijn verzamelgedrag. En ze gingen verder van deur tot deur.

Zo opende ze weer behoedzaam een deur naar een grotere kamer. Het bleek een trainingskamer te zijn met allerlei oefen poppen. Terwijl Brecht zijn hoofd draaide om de kamer te zien, zag hij plots door het vizier van zijn helm een witte draak met ijskoude adem naar hem staren. “Draak!” schreeuwde hij om zijn strijdmakkers te waarschuwen en er ontstond een ijzig gevecht. Weer hield Brecht stand in de deuropening om het majestueuse beest op een afstand te houden terwijl de andere helden pijlen, bliksemschichten en vlijmscherpe beledigingen op de draak afvuurde. Wild van frustratie sloeg het beest om zich heen en brieste met een ijskoude adem die hun geselde als hagel. Het was uiteindelijk het vlammende zwaard van Brecht dat zich in het bevroren hart van de draak boorde en de kamer deed schudden toen het beest op de stenen vloer viel. En nu siert één van haar tanden de Winterstaf van Poot.

Ze besloten kamp op te slagen in de bibliotheekkamer waar er twee relatief comfortabele zetels stonden. De strijd was hevig geweest en ze durfde het niet aan om vermoeid verder te verkennen. Donoma opperde ook dat de boeken de wacht konden verlichten. Anderen vonden dat dan weer een risico op onverwachte slaap, tenzij die boeken in het vuur gebruikt werden. Maar ieder op zijn manier werd de wacht zonder incidenten gehouden. Bij het ontwaken rekte Poot zich nog eens uit en voelde zich stijf. Want zelfs in de gedaante van een oerbeest blijft een kerker een koude vloer hebben. Wat zijn frustratie enkel groter maakte toen hij de volgende deur opende en daar een naar jasmijn ruikende kamer aantrof met een groot comfortabel bed. De kerker van Azhrymeus bleef verbazen. Achterin bleek ook nog eens een kamer met allerlei hendels, schakels en kettingen te zijn. Livio toonde zijn meetserlijk technisch vermogen en vond al snel een knop en een hendel die duidelijk een val bediende. Er was geen manier om te weten waar die was en wat het overhalen van de hendel zou bewerkstelligen, maar er stond alleszins een tekening van een vervaarlijke zeis aan een ketting op.

De tocht door de kamers ging verder en bracht hen in een verlaten scriptorium. Dit vertrek moest wel met haast verlaten zijn, want de inktpotten stonden nog geopend op de schrijftafels. Brecht vulde zijn inktvisfles met de inhoud van alle potjes, wat hem weer verbaasde blikken van zijn vrienden opleverde. Wat verder vonden ze een kamer met een grote marmeren kelk. Er kwam een vreemde groene gloed van de vloeistof in de kelk. Nog voor Poot zijn dorst kon lessen, hield Donoma hem tegen en bestudeerde het water. Na enig onderzoek kwam ze tot de vaststelling dat deze vloeistof een heilzame werking zou hebben. Brecht en Poot deden zich dan ook te goed aan het glimmend water en voelde terug nieuwe herstellende krachten door hun lichaam vloeien. Dit bleken ze nodig te hebben, want de volgende deur bracht nog meer gevaren.

Voorzichtig opende Poot de deur en zag door een kier een prachtige kamer. Een bos van marmer, compleet met minitieus gebeeldhouwd bladerdak en vogeltjes. Maar dit bos bleek bevolkt door hobgoblins en een krokodil. Met uiterste inspanningen om geen geluid te maken sloot hij de deur weer en vertelde het aan zijn strijdmakkers. Er werd een plan gesmeed met voetangels en een barrage van pijlen, wind en de immer snijdende opmerkingen die aan Donoma ontsproten. De deur zwaaide open en de aanval werd ingezet op de verbaasde hobgoblins. Deze strijdlustige wezens bleken taaier dan gedacht en weerde zich geducht in phalanx. Ze sloegen er in Brecht neer te krijgen en in de kamer te sleuren. Maar dat bleek ook hun ondergang want één voor één vielen ze, radeloos door sneren, doorboort door pijlen, bevroren door ijzige wind of verschroeit door vlammend staal. In dit gevecht raakte Brecht echter een drukplaat en zowaar, de machtige zeis kliefde doorheen het marmeren bos. Nog net op tijd kon hij de kamer uitrennen terwijl Poot als een panter naar de hendel die ze reeds gevonden hadden rende. De zeis stope en het werd het deze keer Donoma die het licht van de gevallen vijanden stal en in haar ogen sloot.

Maar het einde van de kerker, dat bleef hun ontglippen.

View
De Kerker Van Azhrymeus
"Geen weg terug meer"

Het werd even stil. Wie weet wat voor gruwelijkheden hen nog te wachten stonden in deze beklemmende kerker. En waar bevond zich de uitgang? De kleine ruimtes voelden nu heel claustrofobisch aan en al deze onzekerheden begonnen nu op het gezelschap te wegen. Maar er zat niets anders op, ze moesten verder…

Kajaat

Na een lichtjes oncomfortabele doch onverstoorde nacht werden Poot, Moebius, Livio en Brecht wakker tegen de palissade van Kajaat. We werden namelijk niet toegelaten om binnen de stadsmuren te overnachten. Toen Donoma echter met een sprongetje in de pas de stad kwam uitgewandeld om ons te vergezellen op een dagje avontuur, keek iedereen toch even fronsend op maar stelde hier wijselijk verder geen vragen achter. Omwille van een slechte slaaphouding had Moebius last gekregen van rugpijn en leek het hem het beste om het even rustig aan te doen en niet mee te trekken richting de Kerker van Azhrymeus.

Het Nimmerlichtwoud

Na een stevige wandeling doorheen de Grote Jungle, de Argali Moer en het Gluwerdiep kwam het viertal al gauw aan in het Nimmerlichtwoud. Omdat niemand zin had in eindeloos rond te dwalen op met pad zonder einde werd beslist om er gewoon kamp op te slaan en te wachten tot de Koopman voorbij komt met zijn wagon. En ja hoor, al vlug hoorden de helden het belletje van de Koopman en probeerde deze hen weer vanalles te verkopen zonder enig respect voor het werkelijk vermogen dat het viertal hen nog restte:

  • een +1 implement van Erathis (150gp)
  • een +1 implement van Pelor (150gp)
  • Laarzen van de Zakkenroller (140gp): +2 op Stealth checks
  • Laarzen van de Gauwdief (280gp): +4 op Stealth checks
  • een Cealdrische luit +1 (200gp): met bijhorende power
  • een donkergroene mantel (150gp): +1 Fort, Ref & Will en magische ontsnapping power
  • fles zoete brandewijn (2sp)
  • fles honingbier (2sp)
  • 2x beschermende amuletten (80gp/st): +1 Fort, Ref & Will

Allemaal te duur…

Om het nijpende goudtekort het hoofd te bieden ging het gezelschap gretig in op het aanbod van de Koopman om de Kerker van Azhrymeus in te gaan. Hij vertelde hen wat meer over de taak die hen te wachten stond:

  • we moesten zo veel mogelijk Atma (de essentie, het ‘zijn’ in elk levend wezen) verzamelen van gevelde monsters in de kerker en dit met behulp van een voorwerp dat hij ons zou geven, wat naderhand een lantaarn blijkt te zijn die een paars dansend licht uitstraalde.
  • in de kerker worden de herstellende krachten van het lichaam onderdrukt worden: healing surges regenereren niet na het nemen van een lange rust, je kan ze dus echter wel gebruiken. Encounter en daily powers regenereren wel.
  • de kerker omvat verschillende kalpa (= verdieping) die telkens gevaarlijker zijn dan de vorige.
  • in elke kalpa is er één enkele doorgang die twee keuzes biedt:
    • de kerker verlaten, of
    • verder trekken naar de volgende kalpa (enkele richting, dus je kan niet terug naar de vorige kalpa of daarna hierlangs de kerker verlaten).

De Koopman rommelde wat in zijn wagon en haalde er een zwart doosje met gouden graveringen en bezet met edelstenen boven. Belial (de imp van de Koopman) dook uit de wagon terug op met een sleuteltje wat in het sleutelgat van het doosje paste. Toen het viertal in het doosje keek, vielen ze allen langzaam erin en stonden ze in de kerker.

De Kerker van Azhrymeus

Kerker van azhrymeusNa het openduwen van de eerste poort kwam het gezelschap in een langwerpige kamer vol rottende meubelen. Na het betreden ervan lichtte de ruimte op en begon plots harpmuziek te weerklinken. Gelukkig bleef het hierbij.

De volgende ruimte was echter minder hartverwarmend want hier stond een knokploeg van 2 wurgers en 5 orks op ons te wachten. Dit leverde een enorm harde strijd op waarbij Brecht zich in de deuropening plaatste en het zootje ongeregeld erop tekeer ging alsof het een metalen pinãta was. Ook de wurgers wrongen vanop de achterlinie hun handen gretig tussen de benen van de orks door om zich om de nek van Brecht te sluiten. Ondertussen belaagden Donoma, Poot en Livio de vijanden doorheen de deuropening met een zodanige expertise dat ze geen van allen hierbij Brecht raakten, waarvoor die heel dankbaar was.

Na enkele rondes vakkundig timmeren, projectielen afvuren, wat muzikale intermezzo’s en enkele kleine natuurrampen, ging Brecht echter zwaar toegedaan tegen de grond en stroomden de vijanden de kamer binnen. Gelukkig had Donoma nog wat helende woordjes achter de hand waardoor Brecht binnen de kortste keren terug tegen betere overlevingskansen aankeek. Poot haalde op dat moment enorm zwaar uit, deed bijna alle vijanden verstijven, blies hen terug the-way-they-came-from en deed ze kortom gezegd aardig wat leed aan. Ook Livio stuurde ze nog een paar scherpe pijlen achterna. De vijanden bleken ondertussen al dermate gehavend te zijn en vielen na een korte verderzetting van dit geweldvertoon één voor één dood neer tot groot jolijt van Poot, die best wel honger had en zich na afloop als panter weer even liet gaan aan het feestmaal voor hem.

Bij het dichterbij brengen van de lantaarn werd boven elk lijk een wazige, paarse gedaante zichtbaar. Toen Brechts hand hiermee in aanraking kwam, werden deze als het ware zijn ogen ingezogen en was hij tijdelijk even verblind. Na zich de ogen 7 dergelijke lichtflitsen te gunnen, keerde de rust terug en kon het gezelschap even uitblazen van deze bittere strijd. Het werd even stil. Wie weet wat voor gruwelijkheden hen nog te wachten stonden in deze beklemmende kerker. En waar bevond zich de uitgang? De kleine ruimtes voelden nu heel claustrofobisch aan en al deze onzekerheden begonnen nu op het gezelschap te wegen. Maar er zat niets anders op, ze moesten verder…

View
Nieuwe ontmoetingen

Die ochtend stonden Moebius, Poot, Livio en Brecht op in Mijn B.

Omdat ze vonden dat het nu toch wel eens tijd werd dat de Wacht van Zuiderhaven op de hoogte gesteld werd van hun vermoeden dat het hoofdkwartier van kapitein Groenbaard zich weleens in Khûm Aram zou kunnen bevinden, werd er aldus daarheen getrokken.

Zuiderhaven

In Zuiderhaven aangekomen zochten ze Ivan op en brachten hem op de hoogte. Ivan was zeer dankbaar voor de informatie, maar benadrukte dat hij momenteel weinig kon doen, laat staan een frontale aanval op de piratenbasis. Zeker niet omdat de activiteit van Zeeduivels in de lokale nabijheid merkbaar gestegen was.

Argali-moer

Omdat het mysterieuze Nimmerlichtwoud toch een indruk had nagelaten, werd er unaniem besloten om dat eens nader te gaan onderzoeken.
Maar eerst moest er natuurlijk nog door de weinig toegankelijke Argali-moer getrokken worden. Terwijl ze de vele slijkplassen overschreden en de muggenzwermen van zich af probeerden te houden, merkte Poot plots op dat een vermetele mug het aandurfde hem te bijten. Prompt sloeg Poot het overmoedige insect tot een hoopje pulp. Terwijl Poot even sip stond te kijken naar zijn verse wond, merkte Moebius op dat dit wel eens zou kunnen leiden tot Moeraskoorts. Snel diende hij de eerste zorgen toe, met de belofte een oogje in het zeil te houden op de gezondheid van Poot.

Onversaagd trokken ze verder het mistroogstige moeras in, tot ze plots een soort stenen structuur zagen. Een zucht van verlichting werd geslaakt, eindelijk hadden ze het Gluwerdiep bereikt. Daar zouden ze tenminste geen last hebben van het rijkelijk aanwezige ongedierte.

Gluwerdiep

Dit bleek echter ijdele hoop, want na een stuk in het Gluwerdiep rondgetrokken te hebben, stonden plots oog in oog met enkele blubberige massa’s. De slechtgezinde puddingen bleken echter vrij taai, ze sprongen prompt op Brecht en Moebius, die er slechts met uiterste krachtinspanningen in slaagden deze zurige hopen slijm uit hun lichaamsholtes te houden. Alsof dat nog niet erg genoeg was, spatten de blubbers na enige rake houwen ook nog eens uiteen in kleinere hopen!
Gelukkig hadden de avonturiers even voordien de heilzame effecten van de Vlamamaniet ondervonden, en kon er met vereende krachten een eind gemaakt werden aan deze duivelse puddingen.

Nimmerlichtwoud

Met de aanwijzingen van hun vertrouwde kaart vonden ze al snel de ingang naar het Nimmerlichtwoud. Naar goede gewoonte was het hier donker en mistig, en ook het gevoel alsof ze constant in het oog gehouden werden stelde onze helden er niet geruster op.
Terwijl de avonturiers zich wat probeerden te oriënteren in deze onvertrouwde regionen, kwamen ze op een wat afgelegenere plaats plots een Hunebed tegen. Vooral Poot was hier erg door geïntrigeerd.
Hoewel deze constructie opmerkelijk was, leek het toch harmonieus geïntegreerd in de aanwezige fauna en flora.
Omdat er verder niets ongewoon te vinden was, werd er dan ook besloten om verder te trekken. Er werd verder het woud ingetrokken, waar na verloop van tijd een pad werd aangetroffen. Verbluft bleef de groep even staan. Een pad? Hier? Midden in de wildernis? Hun nieuwsgierigheid was echter te groot en behoedzaam en met de oren gespitst liepen ze het pad verder af. Plots hoorden ze in verte het gerinkel van belletjes. Weer bleven onze helden verbluft staan. Het gerinkel kwam echter langzaam dichterbij, en na kort overleg verstopten ze zich, wat gemakkelijk ging in dit dichtbeboste gebied, wie wist tenslotte wat ze hier zouden aantreffen?
Naast het belgerinkel zagen ze nu ook een flakkering van licht. Met het hand strak rond het heft van hun wapen wachtte het groepje gespannen af. De spanning werd bijna ondraaglijk, maar even later reed er langzaam een tot de nok volgestouwde kar voorbij, zelfs aan de zijkanten hingen allerlei dingen. Op de kar zelf zat tot hun verbazing een goedgeklede man met donker haar met een Imp naast hem.
Moebius, immer onversaagd, kwam rustig uit zijn schuilplaats gestapt groette deze vreemdeling.

De Koopman

De vreemde man groette hem vriendelijk, en stelde zichzelf voor als “De Koopman”. Hij zette zijn kar aan de kant, haalde enkele krukjes tevoorschijn, gebood onze vrienden te gaan zitten en deelde met hen enkele glaasjes brandewijn.
Na een kort gesprek stond de handelaar recht, en toonde hen allerlei exotische waren.
Deze bleken zonder uitzondering van hoge kwaliteit, en iedereen vond dan ook iet snaar zijn gading. Moebius en Brecht kochten elk een Amulet dat hun verdediging versterkte, voor Poot werd er een magische staf aangeschaft. Brecht, die altijd wel op zoek was naar iets bruikbaars, kocht ook nog een kaartspel en een Houdkrachtige Zak.
Brecht probeerde ook wat af te dingen, maar daar had De Koopman geen oren naar. Wel deed hij hun een zakenvoorstel. In ruil voor koopkrediet zouden ze in de Kerker Van Azhrymeus monsters moeten bevechten, en hun lichamen terugbrengen naar de koopman. Net als met kortingen bleek de man echter schaars met informatie, meer wou hij dan ook niet kwijt.
Daar er duidelijke interesse was in dit voorstel, werd dan ook afgesproken in de zeer nabije toekomst opnieuw af te spreken. Op de vraag waar ze hem konden bereiken reageerde de zakenman echter weer enigmatisch en zei “Geen nood, ik vind jullie wel. We zullen elkaar zeker nog tegenkomen”.
Voor hij afscheid nam, wist hij nog wel te vertellen dat ze zeker niet van het nabije meer moesten drinken, en dat er meer naar het Oosten een soort humanoïde constructies rondwaarden. Ook Moebius’ vermoedens dat de Blauwe Piek weleens in de buurt zou kunnen zijn werden door de raadsleachtige verkoper bevestigd.

Verkenning

Ieder vervolgde zijn weg, die voor onze helden niet over een leien dakje liep. Na een tijdja wandelen zagen ze Brecht ergens langs een vers gegraven put liggen…terwijl hij pal naast hen stond! Moebius gooide een steenje naar deze figuur, maar er kwam geen reactie. Het leek hen best deze vreemde verschijning verder met rust te laten en verder te trekken op het pad. Na verloop van tijd leken ze zchter in een cirkel te lopen. Doodop van het rondtrekken en het zware gevecht besloten de avonturiers dan maar ter plekek hun kamp op te slaan.
Terwijl Moebius de wacht hield, werd Poot plots wakker van geknijp en gekietel. “Moebius” riep de Druïde enigzins geïrriteerd, “laat me eens met rust, kerel!”. Moebius keek verbaasd op en stamelde “Maar… ik heb je helemaal niets gedaan. Waar heb je het over?”
Verbrouwereerd kroop Poot opnieuw zijn slaapzak in, en tijden zijn wachtbeurt verweet Livio hem opeens hetzelfde.
De volgende ochtend stonden het avonturiersgroepje op, niet helemaal uitgeslapen maar toch voldoende uitgerust om de tocht verder te zetten.
Aangezien het nu wel duidelijk werd dat ze in rondjes aan het lopen waren, werd er besloten om gewoon loodrecht naar het Westeb te lopen. Na een stuk afgesneden te hebben, kwamen ze terecht bij het meer waar De Koopman hen over verteld had. Brecht was toch wel nieuwsgierig naar wat er zo speciaal was aan dit water en besloot er een staal van te nemen. Zowel hij als Poot voelden echter zeer nadrukkelijk de ogen van ongeziene wezens in hun rug branden. Poot raadde Brecht dan ook af van zijn plan, en Brecht nam het advies van zijn teamgenoot ter harte.
Iedereen had ondertussen wel genoeg van dit mysterieuze gedoe, en de terugkeer werd dan ook aangevat.

Kajaat

Er werd verder gereisd, waar ze Lionu nogmaals vriendelijk verzochten hun kamp op te slaan.
“Vooruit dan maar”, zei de Utrayi “maar maak er geen gewoonte van, he?!”

Moe maar tevree en met hun hoofd vol wilde fantasieën dommelden onze helden zoetjesaan in, klaar om de volgende ochtend weer de geheimen van de Wilde Landen te ontsluieren. Welke avonturen zouden hen morgen te wachten staan?

View
De trektocht
"Waar is da feestje?"

De helden besloten eens wat onontdekt terrein in kaart te brengen (namelijk het Nimmerlichtwoud) en zo verlieten Donoma, Vikko, Moebius en Brecht de zwoele, zweterige schachten van Mijn B en het onverschaamde feestgedruis dat ermee gepaard gaat en trokken langs de rand van het Lansiersgebergte naar het oosten.

Al gauw kwamen ze een uitgebrand Utrayi dorp tegen en iets nog een, maar dan nog steeds bewoond. Om deze laatste gingen ze in een wijde boog omheen. Uiteindelijk kwamen ze aan een inham in het gebergte. In de hoek hiervan bevond zich een grote blinkend-zwarte plaat die wat uit de wand het gebergte stak. Het leek een soort deur te zijn, maar zonder hendel of enig merkbare manier om die te openen. Deze leek niet uit steen, noch uit staal te zijn, maar uit een perfect effen, onkrasbaar materiaal.

Omdat hier verder niets te doen was, gingen ze verder terug naar het oosten, de Grote Jungle door en ontdekten ze daar een standbeeld, een hoofd dat naar het noordoosten keek. Al gauw werden de plannen om het Nimmerlichtwoud te ontdekken overboord gegooid en baanden ze zich een weg naar het noordoosten. Na het oversteken van de Grote Argali bleken ze uiteindelijk voor de poorten van Kajaat komen te staan. Moebius kocht er nog een nieuw metalen pakje en Brecht enkele enorm dure kraaienpoten (afzetters!). Lionu leidde ze wat rond naar het Nartex, een soort overdekt altaar alwaar ze Vijaas (wind: vooruitgang) en Rava (vuur: passie, emotie) aanbaden. Ze leerden ook Dagara (steen: kracht, standvastigheid) kennen. Het dorp waar de meeste aanhangers hiervan woonden, had echter te maken met een catastrofe, maar de details hierover waren nog onduidelijk. Tenslotte benadrukte Lionu nog maar eens dat Aj (water) aanbidden echt wel not-done is bij hen.

Er werd besloten om verder te trekken naar het noorden richting het meer waar het Heidense Beest ook gespot werd, maar hier naar het noordoosten de rivier verder te volgen, waarbij ze ook te maken kregen met drie panters die echter niet opgewassen waren tegen 4 gevreesde strijders. Uiteindelijk kwamen ze aan een waterval die uit een gebergte naar beneden stortte en zo de rivier vormde die ze de hele tijd aan het volgen waren. Hier werd dan maar verder naar het oosten gewandeld omdat daar de jungle leek te stoppen.

Zwavel hing er dik in de lucht en bemoeilijkte de ademhaling aan de Vuurpoelen. Omdat de vier weinig zin hadden om het schoeisel al te zeer op te warmen werd er naar het zuidoosten verder getrokken, langs een lava-meer en iets verder een landschap vol fumarolen (scheuren en barsten in de aardkorst nabij vulkanische grond waar stoom en allerhande gassen de lucht ingestuurd worden). In de buurt liepen een hoop enorme, vuurspuwende salamanders met scherpe tanden en dikke schubben die zich er thuis voelden en er niet mee eens waren dat de vier avonturiers langs hun achtertuin wandelen wilden. Ze vluchtten dus maar even de jungle in terug in trokken terug naar het zuiden. Bij een rivier aangekomen dan terug naar het westen tot ze in Kajaat waren en Donoma met onweerstaanbare overtuigingskracht Lionu wist te overtuigen hen er onderdak te verlenen.

De volgende ochtend trokken ze snel terug door de jungle en de Liefdeloze Heuvels door om uiteindelijk tot groot jolijt van alle mijnwerkers terug met wijde armen ontvangen te worden in Mijn B: de nacht kan niet meer stuk!

View
De val

Het avondmaal

Het was druk in de Zoute Zeemeermin toen Brecht, Moebius en Poot de herberg binnen kwamen. Overal werden er dampende stoofpotjes rondgedragen, want Nolle deed zijn best om iedereen die binnenkwam zijn legendarische stoofpot aan te raden. Wanneer onze vrienden vroegen wat er in zat, was hij echter vaag en zei enkel dat er iets in zat wat bijna op vlees leek. Poot moest weigeren omdat hij in zijn meer menselijke gedaante strikt vegetarisch was. De twee andere weigerden wijselijk ook.

De vlammen van een paar kaarsen flakkerden door een stoot zoute zeewind toen de deur open ging en Gareth de herberg betrad. Dadelijk stond Nolle aan de zijde van de stille wreker om zijn legendarisch stoofpotje aan te bieden. Waarom Gareth op dit aanbod inging zal altijd een raadsel blijven, maar toen hij bij onze vrienden aan tafel ging zitten stond er dadelijk een dampende stoofpot als avondmaal voor zijn neus.

Moebius zette zijn grote mok Pibwasser neer en streek het schuim uit zijn statige dwergenbaard. “Ik heb zin in avontuur!” Hier hadden ze allen op gewacht en meteen stemde Brecht, Poot en Gareth in om mee te gaan. Het hart van een avonturier verlangt nu eenmaal naar de lonkende weg, de gevaarlijke kliffen en de onheilspellende ondergrondse burchten die de wereld rijk is. Even veranderde de hand van Poot in een panterklauw voor hij zich terug kon beheersen. “Het is lang geleden dat ik nog eens vlees van de vijand gegeten heb…”

Er werd druk gepraat over waar ze nu glorie zouden zoeken. De Khûm’s? De beruchte piratenkapitein Groenbaard? Of diep de jungle in? Omdat ze er niet uitkwamen werd besloten om eerst langs de stadswacht te gaan om meer informatie over de piraten in te winnen. Terwijl Gareth verder genoot van zijn verdiende avondmaal, gingen Brecht, Moebius en Poot naar de kapitein van de Stadswacht. Maar Kielhaal Katarina had niets gelost. Buiten dan bijna haar tong die ze met een gesmokkeld mes wou uitsnijden. Hier zouden ze niet veel wijzer worden en hun erecode liet niet toe om in te breken en het wicht persoonlijk tot bekentenissen te dwingen. Er werd dan maar besloten om bij het ochtendgloren terug naar het Noorden te trekken, met als doel het mysterieuze Khûm Aram.

De tocht

Zoals steeds was het eerste stuk van de weg naar het Noorden rustig. En onderweg spraken de helden over de mogelijkheid om entrepeneurs te zoeken die er voordeel mee konden halen om de piratenplaag uit te roeien. Misschien konden deze wel helpen met manschappen en middelen? Al pratend kwamen ze snel bij de hangbrug over de kloof in de Azurenkliffen. Hier waren ze nu al vaker geweest en wandelde zelfverzekerd over het gevaarte van hout en touw. Toen ze bijna over de brug waren zagen ze plots een wervelwind aan de andere kant. Een havik? Een griffoen? Nee, er was geen enkele gedaante in te zien, enkel wind. Brecht liep onverschrokken voorwaarts naar het gevaar toen er een windstoot langs hem floot en de drie avonturiers op de brug neersloeg. De brug slingerede vervaarlijk heen en weer en iedereen greep de touwen vast om niet de diepte in te tuimelen. Zo kon het voor hen toch niet eindigen? Dus snel werd deze winderige gedaante omsingeld door een wervelwind van zwaarden en bliksem. En zo werd het weer windstil…

Het gezelschap kwam bij de Lanciersbergen en vond blindelings de Perelgaard Pas. Daar aangekomen werd besloten heel even te rusten en de rantsoenen boven te halen. Poot kloeg over vijanden van wind die niet eetbaar waren en zocht dan maar wat eetbare wortels bij elkaar.

Gesterkt zette onze vrienden er de pas in en trokken zonder problemen door de Lanciersbergen. Na een groet bij het standbeeld van Perelgaard trokken ze verder en sloegen hun kamp op aan de voet van de liefdeloze heuvels. Die nacht hielden ze één voor één de wacht en Moebius hoorde geritsel in het struikgewas terwijl hij in het donker tuurde. Snel maakte hij zijn vrienden wakker en ze gingen op onderzoek uit. Er bewoog inderdaad iets maar het was zo verdomd donker. Wat buiten Brecht gerekend was, want hij nam terstond een brandende pijl voor zijn kruisboog en schoot deze in de struik die dadelijk vuur vatte. Terwijl Gareth en Poot vooruit liepen, stoven er vier Utraiyi uit de brandende struik. Gareth liet zijn machtig zwaard zakken en Brecht kwam naar voren. Met veel armgezwaai en simpele woorden kon Brecht een universeel teken van vrede geven aan de geschrokken Utraiyi die nog steeds de gensters van hun kleren sloegen. Ze begrepen de boodschap en verlieten vreedzaam de plaats. Elk vermeden gevecht is een gewonnen gevecht.

Weer zochten onze vrienden de warmte van hun reisdeken op en sliepen verder. Bij het ochtendgloren trokken ze verder naar het noorden, door de Liefdeloze Heuvels, diep in onbekend gebied. Op basis van de aanwijzingen van Brecht, het compas van Moebius en de neus van Poot kwamen ze uiteindelijk aan het hoefijzer meer, en de rivier die daar ooit doorheen liep. Met machtige sprongen staken Moebius, Gareth en Poot de rivier over. Brecht sprong ook, en met veel flair, maar hij smakte met pak en zak tegen de rivierbodem en werd vervolgens meegesleurd door het water. Roepend en gebarend liepen onze helden achter hun vriend aan en probeerde hem uit het water te halen. Even leek het of de rivier een held had doen vallen. Maar ze vonden hem uiteindelijk een heel eind verderop het strand met zijn kop in het zand.

Khúm Aram

Khum aram garethZo begon de zoektocht naar de ingang van de dwergenvesting. Ze zochten eerst aan het strand maar daar werd niets gevonden. De doorgang werd er belemmert door de kliffen van het gebergte. Daar aangekomen keken ze uit over de zee, en zowaar, Moebius ontwaarde in de verte een schip. Het was een schip zonder vlag en voer in de richting van het zuiden. Piraten! En ze kwamen van het noorden… Groenbaard kon niet ver zijn.

Daarna trokken ze door naar de tweede ingang. Onderweg kwamen ze vreemde runderen tegen. Een soort die geen van hen kende. Moebius opperde om deze een naam te geven en er werd besloten dat dit Aram zou worden. Dat maakte het doel van deze tocht meteen de Koeienburcht. Na heel wat zoekwerk werd de ingang tot deze burcht gevonden en begon het verkennen.

Binnen leek deze Khûm sterk op Khûm Barak, ook met hetzelfde ingewikkelde buizensysteem en de concentrische cirkels. Langs de gangen waren verschillende woningen uitgehouwen in de levende rots. Dit was een volwaardige stad. Een spookstad n verval. Behoedzaam doorzochten ze de gangen tot ze aan een huis kwamen waaruit een warme gloed kwam. Dus toch niet zo verlaten, dachten ze. Al sluipend kwamen ze tot het huis en Brecht gluurde binnen. Daar zag hij twee mannen die kibbelden over het smeedwerk van één van hen. Dit waren geen pioniers of verkenners, deze mannen roken naar zeelucht en grog. Veel tijd voor een plan was er niet, maar met de verassing als hun bondgenoot overdonderde onze helden het tweetal. Brecht schoot door een raam, Poot joeg een wind door de kamer die één van hen in het vuur duwde, en toen de voordeur openzwaaide stonden de twee piraten oog in oog met de statige wreker met getrokken zwaard. De moed zonk hen bijna in de schoenen, was het niet dat er nog een derde piraat was die hoonlachend zijn kameraden aanspoorde om onze vrienden aan hun degens te rijgen. Toch liep hij zelf, niet geheel onbegrijpelijk, weg langs de achterdeur. Een hevig gevecht liet de twee piraten al snel kruipen in het stof van de door Moebius gezegende grond. De aanvoerder was echter om de hoek gekomen en probeerde nog om de helden in de rug aan te vallen. Toen ook dit niet werkte liep hij weg. Gesterkt door de kleine overwinning liepen de vier helden er achter aan.

Ze konden de aanvoerder echter niet inhalen en al snel werden ze zelf omsingeld door versterking van de piraten. Brecht floot het signaal om terug te trekken en iedereen kwam in beweging. Maar de vele piraten die rond Brecht en Gareth stonden waren niet van plan dit te laten gebeuren. Brecht gooide meel in het rond om hen af te leiden en zette het op een lopen. Gareth hield echter stand. En terwijl zijn vrienden konden ontkomen bleef hij in het heetst van de strijd staan. Met een strijdkreet zoals enkel een wreker deze kan uitslaan probeerde Gareth nog om door de linie van gespuis te breken. De dolken en degens waren echter scherp en met velen. Langs alle kanten werd hij doorboord terwiljl hij ter aarde stortte. Brecht, Moebius en Poot draaide zich om en voelde in hun bloed dat ze moesten helpen, dat ze moesten terugkeren en overwinnen. Maar het was te laat. Gareth duwde zich nog éénmaal op aan zijn machtig zwaard en keek naar zijn vrienden. Met die blik wisten ze dat ze hem niet meer konden helpen, dat hij wou dat ze zouden vluchten. Verscheurd door schuld liepen ze verder. De grip van Gareth verslapte rond het heft van zijn zwaard en hij zakte ineen.

Het drietal liep tot hun longen leken te barsten. Door de tunnels, door de heuvels, over de rivier. En daar sloeg de stilte toe terwijl ze allemaal terugdachten aan hun vriend die ze voor dood achtergelaten hadden in het hol van de leeuw. Daar, aan de oever van het hoefijzer meer zwoeren ze een eed. Om wraak te nemen op Groenbaard en zijn piraten. Een eed van vijandschap.

Met lood in hun schoenen trokken ze naar het zuiden, naar Mijn B. Om op krachten te komen en plannen te smeden. Groenbaard zou duur betalen voor het verlies van hun vriend. Hij zou betalen in bloed.

View
Rondleiding

Aankomst

Vroeg in de ochtend vaarde er een schip binnen in Zuiderhaven. Naast de gebruikelijke aanvoer van levensmiddelen, materiaal en andere broodnodige zaken, waren er dit keer ook 2 figuren aan boord.

Bij het licht van de zonsopgang keken deze hun ogen uit naar dit vreemde, nieuwe land. En zoals alle nieuwelingen vonden ze al snel hun weg naar de taverne, waar Brecht en Moebius verwikkeld waren in een hevige discussie.
De vaste klanten waren het gekrakeel van de avonturiers al gewoon, maar dit trok natuurlijk de aandacht van het verse duo, niet in het minst omdat ze tijdens de woordenwisseling regelmatig naar de kaart die voor hen opengeplooid lag wezen.

Voorzichtig stapten ze op hen af en vroegen beleefd wat er scheelde. Moebius gromde iets van dat hij en Brecht weer op avontuur wouden trekken, maar dat hun vaste gezelschap dit vandaag niet zag zitten, en dat het simpelweg te gevaarlijk was met 2.

Er ging een lampje branden bij de 2. Ze vertelden dat ze graag met hen mee wouden, zeker om een beetje een beeld te krijgen van de nabije omgeving. De nieuwelingen stelden zich voor als Vikko en Donoma.

Daar Moebius en Brecht al enige ervaring hadden met de Wilde Landen (en ook wel met het opleiden van nieuwelingen), raadden ze hen aan wat proviand en andere basisbehoeften in te slaan. Zo gezegd, zo gedaan, en al snel wandelden ze de poort uit.

“Waar gaan we eigenlijk naartoe?” vroeg Donoma toen ze net buiten waren.
“Naar een speciaal plekje waarvan enkel wij en natuurlijk de andere avonturiers het bestaan afweten. Geloof me, je zal ons dankbaar zijn” antwoordde Moebius met fonkelende oogjes.

Nederjungle

Brecht wou wel eens te weten komen of hun markeringen die ze in de Jungle hadden aangebracht, ook nuttig waren voor wezens die deze weg nog niet kenden, en vroeg aan Vikko of hij dat wou controleren.
Dolenthousiast baande Vikko zich een weg door het gebladerte, en Moebius knikte even goedkeurend naar Brecht.

Plots stootten ze echter op 2 wilde zwijnen. “Zullen we ze besluipen?” vroeg Moebius nog, maar vanaf dat Brecht het woordje “sluipen” hoorde, stormde hij op de zwijnen af. “Dan niet,” dacht Moebius bij zichzelf, “eigenlijk is dit wel een uitgelezen kans voor die 2 om zich te bewijzen.”.

Hoewel onervaren, bleken Donoma en Vikko toch enig talent voor gewelddadige conflicten te hebben, en al snel delfden de zwijnen het onderspit.

Niet veel later arriveerden ze aan het Oord Des Levens. Donoma en Vikko keken vol ontzag naar de majesteuze boom. “Als je hiervan drinkt, zal je je veel energieker voelen” raadde Brecht hen aan. Zo geschiedde, maar plots schalde het hoongelach van Brecht en Moebius door de bomen. “Dwazen! Zo dadelijk krimpen jullie tot de grootte van een erwt!” riep Moebius uit. Donoma en Vikko keken elkaar verschrikt aan. “Nee hoor, grapje!” zei Moebius droog.

Omdat dwergenhumor niet aan iedereen besteed is, werd de reis snel weer hervat. Brecht en Moebius gaven de anderen wat tekst en uitleg bij de plaatsen waar ze langswandelden. Op een gegeven moment moest er een rivier overgestoken worden. Met wat ingenieusiteit werd Brechts net aan een touw bevestigd, en Vikko, vastberaden om zich te bewijzen aan de anciens, mikte het net weerom dolenthousiast in de bomen.
Dat lukte, maar toen hij even aan het touw trekte om te zien of het wel stevig vastzat, stond hij plots oog in oog met een razende Gorilla. Deze kon zih snel uit het net bevrijden en met een gracieuze sprong landde hij valk voor de neus van Vikko.
Moebius reageerde bliksmsnel en gaf de Gorila een mep van jewelste. Ook Donoma liet zich niet onvervaard en blies scherp op haar panfluit. Verrast door dit geluid greep de Gorilla naar zijn oren en wankelde enkele stappen naar achter, en sukkelde pardoes de snelstromende rivier in.

Het viertal besloot de weg verder te zetten, en even verderop kwamen ze de weggespoelde Gorilla opnieuw tegen. Razend en vastbesloten het hen betaald te zetten, stormde deze op de groep af, maar het mocht niet baten, mede door zijn vorige verwondingen bleek hij niet opgewassen tegen de gebundelde krachten van de avonturiers.

Na een lange omhaal door de Jungle belanden de avonturiers op het Glinsterstrand, alwaar Vikko een merkwaardig structureken opmerkte. Dit was bekleed met Utrayi-speren en veelkleurige veren. Gefascineerd nam Vikko deze mee, maar merkte niet op dat Brecht en Moebius elkaar hoofdschuddend aankeken.

Ondertussen waren ze opnieuw in Zuiderhaven weergekeerd. Het vlees van de geslachte zwijnen werd verkocht aan de lokale middenstand, en de helden keerden weer naar de taverne voor een welverdiende beker Pisswasser.

View
De zoektocht naar Khûm Aram

Zuiderhaven

Die ochtend stonden Gareth, Moebius en Brecht op, fris en vastberaden een stevig potje te avonturieren.
Poot had hier beduidend minder zin in en besloot in de omgeving zijn territorium te gaan markeren.

Na wat overleg werd er besloten om de mysterieuze kaart van de dwergenvestiging Khûm Aram nader te onderzoeken, en deze te proberen lokaliseren. Er werd vermoed dat deze wel eens in het Noorden zou kunnen liggen, en omdat Mijn B toch praktisch op de weg lag, was het plan om eens te polsen of de andere daar verblijvende avonturiers toevallig zin hadden.

Het trio was nog maar net de poort uit of er stormde een Wind Elemental op hen af. Ze wouden echter niet teveel tijd verspillen, en na wat bokkesprongen konden ze deze snel achter zich laten.

Mijn B

De verdere reis verliep zonder noemenswaardige incidenten, maar tegen de tijd dat ze Mijn B hadden bereikt was de nacht niet veraf meer, en besloten ze dus daar te overnachten. Livio en Paul werden al snel gelokaliseerd, en onder het nuttigen van enkele pullen gerstenat werd er met Livio bijgepraat over de laatste ontwikkelingen en plannen. Paul verkoos blijkbaar het gezelschap van de gespierde, bezwete mijnwerkers.

Goblin Dorp

De volgende ochtend werd, wederom fris en vastberaden, meteen stevig de pas in gezet.
Het duurde dan ook niet lang voor het viertal een primitieve nederzetting aantrof. Dit bleek een Goblin nederzetting te zijn.
Er werd een al even ingenieus als duivels plan bedacht om de Goblins in een hinderlaag te doen lopen. Voorbereidingen werden getroffen, schuilposities werden ingenomen en aangezien Brecht vooral goed is in ontdekt worden, besliste hij al zijn opgekropte frustraties eens de vrije loop te laten om de Goblins te lokken.

Na het roepen van allerlei vulgariteiten waarbij menig zeeman het schaamrood op de wangen zou krijgen, stormde een delegatie Goblins op de Paladin af.
3 van hen liepen op de dodelijke val die Livio gespannen had, namelijk de Slashmore Zeis die Brecht al een tijdje meezeulde. 2 van hen waren op slag dood, maar de Sjamaan Goblin had nog wel iets meer in zijn mars.
Na een kort gevecht delfden de Goblins, nog steeds geïntimideerd door Brechts beledigingen, het onderspit.

“Parlay?”

Daar ze de Goblins makkelijk aankonden, stapten de avonturiers vastberaden op het dorp af. Daar ze niet helemaal onmenselijk waren, gaven ze de Goblins de kans om zich uit de voeten te maken, op die manier proberend de raids op Mijn B te beëindigen. De Goblins bleken echter over waardevolle informatie te beschikken, iets verder naar het Noorden zou het Aram-meer liggen. Eindelijk, een hint!
De Goblins beloofden geen verdere raids meer uit te voeren op Mijn B, en het viertal vervolgde zijn zoektocht.

Verdachte sporen

Verder naar het Noorden, op een strand, troffen onze helden enkele lege flessen rum, een verlaten kampvuur, alsook sporen alsof er een soort van sloep versleept was aan. Even verderop werd er enkele boomstronken aangetroffen. Waren er Piraten hier geweest, op de vlucht voor vervolging?

Khûm Aram

Na het oversteken van de Noordelijke rivier en deze verder naar het Westen te volgen, kwam het kwartet wezens tegen die ze nog niet eerder gezien hadden. Ze hadden wel iets weg van Buffels, met een soort van verhoornd voorhoofd en ze waren aan het grazen. Er werd geprobeerd de aandacht van de beesten te trekken, maar veel meer dan loeien en wegschuifelen deden ze niet.

Even later kwam het viertal een hoefijzerachtig meer tegen. De kaart werd geraadpleegd en ja hoor, die stond er op afgebeeld! Khûm Aram kon dus niet ver meer zijn.
De avonturiers vonden al snel één van de ingangen. Om zich toch ervan te vergewissen dat dei effectief de Dwergenvestiging was, liepen ze even naar de poort. Daar aangekomen bleek er een stevig gat in de linkervleugel geblazen te zijn waardoor een mens past.

Aangezien het al laat aan het worden was (en ook wel omdat de vorige Dwergenvestiging enkele nare verrassingen in petto had gehad), werd er wijselijk besloten terug naar Mijn B te keren, tenslotte hadden ze waarvoor ze gekomen waren: de lokatie van Khûm Aram.

Welke avonturen zouden hen daar te wachten staan?

View
Grote Kuis
"Arrrrrrr-rochel"

Het zand brandde in zijn ogen en het bloed zorgde ervoor dat zijn ogenleden als dicht gekleefd aanvoelden, maar toch moest Brecht proberen te zien waar de smokkelaars stonden. Zijn ogen waren nog maar half geopend toen een smokkelaar hem zijn schoeisel hard in de maag plantte en met een vrije hand nogmaals een handvol aarde van de grond graaide en in zijn gezicht gooide. “Is dit hoe het eindigt? Moet het echt zo?” vroeg Brecht zich af. Hij verloor het bewustzijn en zakte als een hoop oud schroot ineen alsof dat het antwoord op zijn vraag was…

Mijn B

Na een goede nachtrust in Mijn B raakten Moebius, Poot, Gareth en Brecht aan de praat met Zar Spekholzer, de baas van de mijn. Deze vertelde hen over hun werkzaamheden en hoe Kruthiks (nogal groot uitgevallen kevers) hen heel wat moeite bespaarden bij het graven en ontginnen van het zilver in deze mijn. “Ze kunnen niet tegen het zonlicht maar ondergronds zijn ze geboren graafmachines!” zo bleek, en tevens werden ze misbruikt om de ertsen te transporteren. Slim Jakulba wist de vrienden vol trots te vertellen dat hij erachter gekomen was dat na het uitsnijden van de hun feromoon-producerende organen de beesten een groot deel van hun agressiviteit verloren en dan goed gehoorzaamden. “Wat een geslaagd proefproject!” zoals hij het noemde. Allen vonden het een afschuwelijke praktijk maar lieten weinig merken. Poot echter kon het niet aanhoren en stapte tijdens het gesprek gewoon weg.

Omdat niemand meer zin had in een ontbijt na het omschrijven van dit wansmakelijke tafereel was er natuurlijk wel weer wat tijd gespaard en al gauw trok het viertal terug de Perelgaardspas over, dát zonder problemen deze keer, op weg naar Mijn A om er voor eens en altijd af te rekenen met de piraten, smokkelaars en Kielhaal Katrina.

Mijn A

Na wat verwarring, desoriëntatie en een gang van mijn A te laten instorten (waar Moebius gelukkig geen gebroken ribben aan overhield) stootten de vrienden plots op een 3-tal ruige, met messen uitgeruste individuen die hen als bezetenen begonnen te schoppen en zand in het gezicht te gooien. Brecht dacht dat zijn helm misschien toch iets te veel op een bloempot leek. Dit conflict bleek dermate onaangenaam dat Brecht er zelfs bijna het leven bij liet. Uiteindelijk begonnen de avonturiers toch langzaam aan de bovenhand te halen, maar één van de smokkelaars kon nog net ontsnappen en riep om versterking, waarna de dappere helden het op een loopje zetten naar buiten toe. De Neder-Jungle leek de interessantste plek om zich te verschuilen en al gauw raakten de piraten en smokkelaars het spoor zoek.

Omdat de piraten zich opgesplitst hadden kon het gezelschap een vijftal ongure types verrassen op de weg naar Zuiderhaven en zo de weerstand waarmee ze in de mijn te maken zouden krijgen al wat beperken. Om terug wat op krachten te komen werd besloten een nachtje in Zuiderhaven te blijven en pas de volgende dag terug naar de mijn te trekken.

De mijn werd de volgende dag al vrij vlug volledig verkend en toen bleef er alleen nog maar de piratenbaai over, de plaats die Kielhaal Katrina gebruikte om er met haar schip aan te meren na hun talrijke plundertochten:

Mijn A

Piratenbaai

De ingang van de baai werd beschermd door een magisch zegel dat de volledige doorgang belemmerde, maar met wat goed gecoördineerd prutswerk konden ze hier over zonder iedereen in de grot te alarmeren. Als eerste werd de grote tent onderzocht en stapten ze er voorzichtig binnen. “Ik denk dat ze slapen!” riep Brecht tevreden in het oor van Gareth, waarna deze bevinding al snel ongeldig verklaard werd. Het ontaarde in een fijne knokpartij waarbij één van hen uiteindelijk naar het schip rende en iedereen aldaar op de hoogte bracht van de aanwezige indringers.

Na het onderzoeken van een schatkist in de grote tent bleken daar wat sabels en een kaart in te zitten:

Khum Aram

Zonder hier verder veel tijd mee te verliezen, kreeg het viertal ineens het lumineuze idee om de aan de kade opgestelde kanonnen aan te wenden om het enthousiasme op het schip wat te luwen. Een kanonskogel raasde over het dek en bedierf er het plezier van althans één smokkelaar. Om aan deze leuke bezigheid nog geen einde te maken ging Moebius even de sabels uit de schatkist halen terwijl Gareth en Brecht het kanon opnieuw gebruiksklaar maakten met buskruit en een nieuw lont.

Poot ging ondertussen alle in kooien opgesloten aapjes, vogels, panters en andere dieren in de grot bekijken om deze te proberen bevrijden. Wie weet hoe lang de dierenbeulen deze reeds opgesloten hielden: alle leken hongerig en enorm angstig. Tevens zat er een landhaai in één van de kooien, waarbij de bodem ervan verstevigd was met een dikke metalen plaat.

Toen Moebius met de sabels terugkwam fonkelden de oogjes van Brecht al vol verwachting en snel werden deze in het geladen kanon gepropt. Moebius riep nog even naar het schip: “Kielhaal Katrina! Geef je over of we…” maar de rest van zijn zin werd gesmoord door een oorverdovende knal omdat Brecht niet wou dat Katrina zich alsnog zou overgeven en hem dit plezier ontnam. Stukken van sabels vlogen alle kanten uit en een paar scheerden zich een weg over het wateroppervlak om zich met een droge ‘ploink’ in het hout van het schip vast te zetten. “Wat een stel gekken!” riepen enkele panische stemmen vanop het schip.

Omdat dit zo verdomd leuk was, holden ze vlug naar het andere kanon en ja hoor, ook daar zat er een kanonskogel in. Toen de lui op het schip merkten dat ze nog wat metaal aan hoge snelheid richting schip konden verwachten, rende de overgebleven bemanning, waaronder Kielhaal Katrina zelf, de steiger af, de kade op, richting Moebius, Gareth en Brecht… en het kanon. Wat toen gebeurde liet traantjes van geluk achter in de ogen van de helden: in een prachtige beweging werkten ze samen om het kanon te draaien en te aligneren met het aanstormende hoopje ongeregeld. Brecht schreeuwde zijn woorden van wraak uit voor de oren van het omringende gezelschap en boorde zijn vuurmanawapen in de kade net voor het lont van het kanon. De kortstondige maar hevige vonk die in zijn zwaard van pommel tot punt schoot, was alles waar de lont nog op wachtte. Er was een moment van vertwijfeling, gevolgd door paniek, zichtbaar in de ogen van iedereen in het groepje, nét voor het kanon met alle kracht zijn zware inhoud voor zich uit blies alsof het niets was. De kogel kegelde zich met enorm geweld een baan doorheen alles en iedereen en ontnam ze het laatste beetje hoop dat hen nog restte.

Kanonschot

Poot kon het spektakel vanop een afstand gade slaan en vervolgens gretig uithalen met wat onderhoudende spreuken van eigen hand. De piraten konden nog maar weinig plezier ontdekken in het hele gebeuren en binnen korte tijd bleef enkel nog Kielhaal Katrina staan, haar laatste pogingen om de bemanning moed in te spreken tevergeefs toen ze merkte dat deze al lang levenloos aan haar voeten lagen.

Ze gaf zich over, deed afstand van haar handschoenen (de ‘Handschoenen van de Geweldenaar’) en wees aan waar wat leuks te vinden was op het schip (de ‘Kruisboog der Inspiratie’). De dieren werden vrijgelaten (behalve de landhaai, die de helden iets te gevaarlijk leek) en Kielhaal Katrina werd met vastgebonden handen en voeten naar Zuiderhaven gebracht om daar door de stadswachters opgesloten te worden. Het viertal deed er hun verhaal, beschreef waar de piratenbaai en de gestolen goederen zich bevonden en kreeg een mooie beloning voor hun moeite (waar Poot echter niets van wou hebben). Het voelde goed om zo’n lastige taak tot een goed einde te hebben gebracht.

Toen ze werd weggebracht riep Katrina vol venijn in haar stem: " Groenbaard zal mij wreken!"

View

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.